De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het verzoek van de man om een omgangsregeling met zijn minderjarige kind vast te stellen. De man kampte met een alcohol- en drugsverslaving en was na een eerdere klinische opname tijdelijk abstinent. Een eerste begeleid contact was gepland, maar ging niet door vanwege een terugval en ziekenhuisopname van de man.
De vrouw, moeder van het kind, uitte ernstige zorgen over de veiligheid van het kind en het onbetrouwbare gedrag van de man. De Raad voor de Kinderbescherming en de Gecertificeerde Instelling adviseerden eveneens terughoudendheid en benadrukten het belang van een veilige situatie zonder middelengebruik.
De rechtbank oordeelde dat omgang op dit moment niet in het belang van het kind is, mede vanwege diens jonge leeftijd en kwetsbaarheid. Het verzoek van de man werd afgewezen, met de mogelijkheid voor hem om bij positieve ontwikkelingen opnieuw een verzoek in te dienen. De procedure werd beëindigd om rust en balans voor het kind en de moeder te waarborgen.