Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een Belgisch staatsburger en voormalig statutair ambtenaar met een Belgisch ambtenarenpensioen, woonde in 2017 en 2018 in Nederland en verrichtte geen betaalde werkzaamheden. Hij maakte bezwaar tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor die jaren, waarbij hij betwistte premieplichtig te zijn voor de Nederlandse volksverzekeringen vanwege dubbele premieheffing.
De inspecteur had de aanslagen vastgesteld op basis van een belastbaar inkomen uit werk en woning inclusief het ambtenarenpensioen en had belanghebbende aangemerkt als premieplichtige voor de AOW en Anw. Belanghebbende voerde aan dat op grond van de EU-Verordening en het belastingverdrag tussen Nederland en België de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving niet op hem van toepassing is en dat hij onterecht dubbele premies betaalt.
De rechtbank oordeelt dat belanghebbende volgens de EU-Verordening in Nederland verzekerd en premieplichtig is, omdat hij in Nederland woonde en gepensioneerd was. Het beroep op het arrest van de Hoge Raad en het belastingverdrag faalt omdat deze niet van toepassing zijn op premies maar op belastingen. De rechtbank stelt ook vast dat de inspecteur niet verplicht was belanghebbende te wijzen op de mogelijkheid tot ontheffing van de verzekeringsplicht.
De rechtbank concludeert dat de inspecteur de premieplicht terecht heeft vastgesteld en dat belanghebbende zich tot de Belgische autoriteiten moet wenden om eventuele dubbele premieheffing aldaar te corrigeren. De beroepen worden ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt dat belanghebbende premieplichtig is voor de AOW en Anw in 2017 en 2018 en verklaart de beroepen ongegrond.