Belanghebbende maakte bezwaar tegen naheffingsaanslagen loonheffingen en belastingrente over de jaren 2013 tot en met 2017, opgelegd door de inspecteur vanwege privégebruik van een aan de bestuurder ter beschikking gestelde auto. De inspecteur had de bezwaren voor 2013 en 2014 ongegrond verklaard en voor 2015-2017 de boetebeschikkingen vernietigd.
De rechtbank beoordeelde of de naheffingsaanslagen terecht waren opgelegd. Belanghebbende stelde dat het privégebruik van de auto’s niet meer dan 500 kilometer per jaar bedroeg, onderbouwd met een rittenadministratie en GPS-gegevens. De rechtbank oordeelde dat de rittenadministratie niet voldeed aan de wettelijke eisen, onder meer door inconsistenties in kilometerstanden, tankbeurten en onduidelijke zakelijke ritten.
Verder stelde belanghebbende dat de inspecteur de algemene beginselen van behoorlijk bestuur had geschonden door het ontbreken van stukken en afspraken over vaststellingsovereenkomsten. De rechtbank vond geen bewijs voor schending van het vertrouwensbeginsel of andere beginselen.
De belastingrente werd eveneens in stand gelaten, omdat belanghebbende hiertegen geen zelfstandige gronden had aangevoerd. De beroepen werden ongegrond verklaard, de naheffingsaanslagen en belastingrente bleven gehandhaafd, en belanghebbende kreeg geen proceskostenvergoeding.