Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende is houder van een auto die volgens de inspecteur niet voldoet aan de inrichtingseis voor het bestelautotarief van de Wet MRB, waardoor naheffingsaanslag en boete zijn opgelegd. Tijdens de beroepsprocedure heeft de inspecteur de aanslag en boete vernietigd vanwege opgewekt vertrouwen, maar het beroep bleef aanhangig.
De rechtbank oordeelt dat belanghebbende geen procesbelang heeft omdat de aanslag en boete inmiddels zijn vernietigd, waardoor het beroep hem niet in een betere positie kan brengen. Verzoeken om een verklaring voor recht worden afgewezen wegens gebrek aan bevoegdheid van de belastingrechter. Verzoeken om schadevergoeding worden eveneens afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en omdat zij buiten het geschil vallen.
Het verzoek om immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen omdat de termijn van twee jaar niet is overschreden. De rechtbank veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende ad € 1.846 en het griffierecht van € 48. De rechtbank constateert dat de inspecteur zich op punten sneller had kunnen opstellen, maar geen sprake is van zodanig onzorgvuldig handelen dat vergoeding van werkelijke kosten gerechtvaardigd is.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag en boete MRB wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.