AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing beroep tegen omgevingsvergunning bouw vijf woningen in strijd met bestemmingsplan
Op 30 augustus 2022 verleende het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge een omgevingsvergunning voor de bouw van vijf levensloopbestendige woningen op een perceel binnen het bestemmingsplan 'Kom Oudenbosch'. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze vergunning, stellende dat de gemeenteraad geen verklaring van geen bedenkingen had afgegeven en dat het bouwplan in strijd was met een goede ruimtelijke ordening, mede vanwege verstoring van natuurwaarden en vleermuishabitat.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het college terecht gebruik maakte van een gemeentelijke lijst van gevallen waarvoor geen aparte verklaring van geen bedenkingen vereist is. Het bouwplan viel binnen deze categorieën en was ruimtelijk aanvaardbaar. De vergunning betrof activiteiten bouwen en gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan, maar niet het kappen van bomen, waarvoor geen vergunningplicht was vastgesteld.
Ecologische rapporten gaven aan dat er hoogstwaarschijnlijk geen vleermuisverblijven in de te slopen woning aanwezig waren, waardoor geen natuurvergunning nodig was. Het betoog van verzoeker dat het bouwplan op een meer innovatieve wijze gerealiseerd had kunnen worden, werd verworpen omdat het college beoordelingsruimte heeft en deze niet onredelijk heeft benut.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Verzoeker kreeg geen griffierecht of proceskosten vergoed. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter R.P. Broeders op 9 december 2022.
Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 22/5312 en 22/4440 WABOA VV
uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 december 2022 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam verzoeker], uit [woonplaats verzoeker], verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge(het college).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam vergunninghouder] (vergunninghouder).
Inleiding
In deze uitspraak beslist de voorlopige voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de verleende omgevingsvergunning voor de bouw van vijf woningen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 november 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, vergunninghouder met zijn gemachtigde mr. P. Engelvaart en [namen vertegenwoordigers] en [namen vertegenwoordigers] namens het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter beoordeelt of het college redelijkerwijs de omgevingsvergunning kon verlenen. Hij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van verzoeker.
Het beroep is ongegrond en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De voor de beoordeling van beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Feiten
1.1
Op 27 oktober 2020 heeft het college een initiatiefvoorstel ontvangen voor het realiseren van vier extra woningen op het perceel aan [adres perceel] te [plaats perceel]. Dit voorstel heeft het college akkoord bevonden onder het stellen van voorwaarden.
1.2
Op 3 augustus 2021 heeft het college de vergunningaanvraag ontvangen voor de bouw van vijf levensloopbestendige woningen aan [adres perceel] en [adres perceel II] te [plaats perceel].
1.3
Verzoeker heeft hiertegen zijn zienswijze bekend gemaakt.
1.4
Op 30 augustus 2022 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend.
Spoedeisend belang
2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en doet daarom op grond van artikel 8:86 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.
Belang van verzoeker
3. Nu ter zitting is gebleken dat aanmerking dat verzoeker vanuit zijn woning rechtstreeks zicht heeft op een deel van het perceel, is hij belanghebbende bij de ruimtelijke ontwikkeling op het perceel.
De vergunningverlening
4. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de omgevingsvergunning niet verleend had mogen worden omdat de gemeenteraad voor dit project geen verklaring van geen bedenkingen heeft afgegeven..
5. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.10, onder a, onder 3° van de Wabo. Ingevolge artikel 6.5 van de Bor wordt de omgevingsvergunning niet verleend dan nadat de gemeenteraad heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft. Op zitting heeft het college desgevraagd bevestigd dat de gemeenteraad van de gemeente Halderberge een lijst met categorieën heeft opgesteld waarvoor geen aparte verklaring van geen bedenkingen afgegeven hoeft te worden. Het college heeft ter zitting aangevoerd dat het bouwplan van vergunninghouder onder deze categorieën valt, namelijk de ‘her-, ver-, nieuwbouw van één of meer woningen, met inbegrip van voorzieningen ten behoeve van het wonen, binnen de bebouwde kom voor zover in overeenstemming met een door de raad vastgesteld bestemmingsplan of structuurvisie’.
6. De voorzieningenrechter overweegt dat in de Omgevingsvisie van de gemeente Halderberge, die tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet als structuurvisie heeft te gelden, het volgende is opgenomen:
Waar mogelijk transformeren we bestaand vastgoed naar woningen en benutten we inbreidingslocaties mits dit niet ten koste gaat van de leefomgeving. Gelet op de compactheid van de kernen benutten we ook uitbreidingslocaties direct grenzend aan de woonkernen, tenzij de waarden van het buitengebied daarbij in het gedrang komen.
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college terecht heeft geoordeeld dat gebruik kon worden gemaakt van deze lijst met gevallen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen afgegeven hoeft te worden. Daarbij betrekt hij dat in de ruimtelijke onderbouwing voldoende is gemotiveerd dat het bouwplan niet ten koste gaat van de leefomgeving.
Goede ruimtelijke ordening
8. Het perceel waarop het bouwplan is gesitueerd ligt binnen het bestemmingsplan ‘[naam bestemmingsplan]’ en heeft daarin de enkelbestemming ‘Wonen’. Het college heeft vastgesteld dat de aanvraag om een omgevingsvergunning in strijd is met het bestemmingsplan omdat de bestemming één vrijstaande woning toestaat binnen een afgebakend bouwblok en het aangevraagde plan voorziet in de bouw van vijf woningen, die niet alle binnen dat bouwblok vallen.
9. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat het college ten onrechte met een omgevingsvergunning afwijkt van het bestemmingsplan, omdat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De ruimtelijke onderbouwing betrekt namelijk de aanwezige natuurwaarden te weinig, aldus verzoeker. Verzoeker voert hiertoe aan dat de reeds gevelde bomen een ernstige verstoring van de habitat veroorzaakte en de vleermuizen die in de woning verbleven verjaagd zijn.
10. De voorzieningenrechter overweegt dat de omgevingsvergunning ziet op de activiteiten ‘bouwen’ en ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan’. Dit betekent dat de omgevingsvergunning niet ziet op het kappen van de aanwezige bomen. Bovendien is niet aannemelijk dat een omgevingsvergunning voor het kappen van de bomen nodig was. Desgevraagd heeft het college op zitting toegelicht dat de gemeente Halderberge gebruik maakt van een negatief stelsel, waardoor bomen gekapt mogen worden tenzij ze aangewezen zijn als waardevol of beschermd. Niet gesteld of gebleken is dat het kappen van de bomen vergunningplichtig was dan wel als een vergunning nodig was, dat die dan niet verleend had kunnen worden. Het betoog van verzoeker slaagt dan ook niet.
11. Ten aanzien de stelling van verzoeker dat de vleermuizen van het perceel zijn verjaagd, oordeelt de voorzieningenrechter als volgt. Vergunninghouder heeft twee ecologische rapporten laten opstellen door deskundige en onafhankelijke bureaus waaruit volgt dat in de woning hoogstwaarschijnlijk geen vleermuisverblijven aanwezig kunnen zijn. Deze rapporten zijn wel van 11 februari 2021 en 26 maart 2021. Hieruit is kennelijk afgeleid dat er geen Natuurvergunning behoefde te worden aangevraagd voor de sloop van de woning.
De voorzieningenrechter de door verzoeker gestelde verstoring van de habitat van beschermde vleermuizen slechts dán een reden had kunnen zijn om de onderhavige omgevingsvergunning te weigeren als uit concrete feiten en omstandigheden zou blijken dat de woning diende als habitat voor dergelijke vleermuizen én die (natuur-)vergunning ook niet verleend zou kunnen worden
Verzoeker heeft weliswaar gesteld dat de woning vlak voor de sloop ervan diende als habitat voor vleermuizen, doch heeft ter onderbouwing van zijn stelling tegenover de hiervoor genoemde onderzoeken geen onderbouwende gegevens geleverd en heeft vervolgens ook niet aannemelijk gemaakt dat in het geval die onderbouwing er wel was een Natuurvergunning niet kon worden verleend. De voorzieningenrechter oordeelt dan ook dat het college mocht aannemen dat het bouwplan niet onuitvoerbaar was.
Alternatief plan
12. Verzoeker voert aan dat de gewenste woonfunctie op een meer bescheiden, optimalere, slimmere en eigentijdse wijze kan worden gerealiseerd. Met dit bouwplan worden innovatieve mogelijkheden en tal van kansen niet benut.
13. Terecht heef het college naar aanleiding van deze grond aangevoerd dat het college moet beslissen op de aanvraag zoals deze is ingediend.
Het college heeft dan wel beoordelingsruimte, maar die beoordelingsruimte is gekoppeld aan haar eigen visie op “goede ruimtelijke” ordening. Het college heeft het bouwplan ruimtelijk aanvaardbaar geacht. Met inachtneming van de terughoudende toets die een rechter moet aanhouden wanneer een bestuursorgaan beoordelingsruimte heeft, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om hierover anders te oordelen.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.C. van Spreuwel, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet.
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1°.met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2°.in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3°.in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
Artikel 2.27:
1. In bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen wordt een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Bij een maatregel als bedoeld in de eerste volzin worden slechts categorieën gevallen aangewezen waarin voor het verrichten van de betrokken activiteit een afzonderlijke toestemming van het aangewezen bestuursorgaan wenselijk is gezien de bijzondere deskundigheid die dat orgaan ten aanzien van die activiteit bezit of de verantwoordelijkheid die dat orgaan draagt voor het beleid dat betrekking heeft op de betrokken categorie activiteiten. Bij die maatregel kan worden bepaald dat het aangewezen bestuursorgaan categorieën gevallen kan aanwijzen waarin de verklaring niet is vereist.
Artikel 3.10
1. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op:
a. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor zover er strijd is met het bestemmingsplan of een beheersverordening en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°.
Besluit omgevingsrecht (Bor)
Artikel 6.5:
1. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is.
Bestemmingsplan ‘Kom Oudenbosch
Artikel 20.1.1 “Algemene bestemmingsomschrijving”
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. woningen;
b. bijzondere woongebouwen;
c. havengebouw;
d. detailhandel;
e. horeca;
f. kantoor;
g. dienstverlening;
h. praktijkruimte;
i. bedrijf;
j. garageboxen;
k. water, waterberging en waterhuishoudkundige voorzieningen;
l. agrarisch gebruik;
m. ondergrondse parkeergarage;
n. wandelgebied;
één en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals tuinen, erven, groenvoorziening, parkeervoorzieningen, paden e.d. en overeenkomstig de in 20.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemming.