ECLI:NL:RBZWB:2022:7493
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde woning en proceskostenvergoeding wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende is eigenaar van een hoekwoning uit 1973 met een inhoud van 347 m3 en een perceel van 314 m2. De WOZ-waarde voor 2020 werd vastgesteld op € 200.000, waartegen belanghebbende bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde nadat het bezwaar ongegrond werd verklaard.
De rechtbank beoordeelde het beroep en stelde vast dat de heffingsambtenaar de waarde op juiste wijze had vastgesteld aan de hand van een taxatierapport en vergelijkingsmethode met referentieobjecten in dezelfde straat en periode. Belanghebbende kon onvoldoende aantonen dat de waarde te hoog was vastgesteld.
Daarnaast werd een verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn gehonoreerd. De redelijke termijn was met circa 10 maanden overschreden, waarvoor een schadevergoeding van € 1.000 werd toegekend, verdeeld in € 100 door de heffingsambtenaar en € 900 door de Staat.
De rechtbank kende tevens een proceskostenvergoeding toe voor door een derde verleende rechtsbijstand, met een normbedrag van € 759 per punt en een wegingsfactor van 0,5, resulterend in € 380. De proceskosten en griffierechten werden gelijkelijk verdeeld tussen de heffingsambtenaar en de Staat.
Het beroep werd ongegrond verklaard, de WOZ-waarde en aanslag bleven gehandhaafd, en de vergoedingen werden toegewezen conform de redelijke termijnoverschrijding en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en een schadevergoeding wegens termijnoverschrijding wordt toegekend.