ECLI:NL:RBZWB:2022:7515

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 juni 2022
Publicatiedatum
12 december 2022
Zaaknummer
22-005010
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:25 SvArt. 36e SrWet USB (Stb. 2017, 82)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot gijzeling wegens niet-nakoming ontnemingsmaatregel

De veroordeelde is bij vonnis van 23 november 2010 veroordeeld tot betaling van een ontnemingsmaatregel van €1.250,00 aan de staat. Tot op heden heeft hij geen enkele betaling verricht, ondanks herhaalde aanmaningen door het CJIB en pogingen van de Franse autoriteiten om het bedrag te incasseren.

De vordering tot gijzeling is op 7 maart 2022 ingediend en op 30 mei 2022 behandeld in de raadkamer. De veroordeelde is niet verschenen, maar de officier van justitie is gehoord. De rechtbank oordeelt dat de vordering ontvankelijk is en dat de veroordeelde niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in staat is te betalen.

Op grond van de Wet USB en artikel 6:6:25 Sv Pro wordt de gijzeling voor de duur van 25 dagen toegewezen, waarbij voor elke volle €50 één dag gijzeling wordt gerekend, met een maximum van drie jaar. De rechtbank machtigt de officier van justitie tot toepassing van dit dwangmiddel.

Uitkomst: De rechtbank machtigt gijzeling voor 25 dagen wegens niet-nakoming van de ontnemingsmaatregel.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Breda
raadkamernummer : 22-005010
datum : 13 juni 2022
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het op grond van artikel 6:6:25 Wetboek Pro van Strafvordering in de zaak van:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: de veroordeelde.

Feiten

De meervoudige kamer heeft aan de veroordeelde bij vonnis van 23 november 2010 een ontnemingsmaatregel opgelegd, inhoudende de verplichting tot betaling aan de staat van € 1.250,00. In het vonnis werden aan veroordeelde nog geen dagen lijfdwang/gijzeling opgelegd.
Deze ontnemingsmaatregel is onherroepelijk geworden.
De veroordeelde heeft tot de datum van de indiening van de vordering niets betaald.

Procedure

De vordering is op 7 maart 2022 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 30 mei 2022 de vordering in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de officier van justitie, mr. G. Oosterveld, in raadkamer gehoord.
De veroordeelde is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

Vordering van het Openbaar Ministerie

De vordering van de officier van justitie strekt tot het verlenen van een machtiging tot toepassing van gijzeling voor de duur van
25 dagen.

Beoordeling

Vast staat dat de veroordeelde niet heeft voldaan aan de betalingsverplichtingen. Ondanks de door het CJIB betrachte moeite zijn er geen betalingen van veroordeelde ontvangen. De openstaande vordering bedraagt thans € 1.250,00. Het dossier is overgedragen naar de Franse autoriteiten, maar het is hen niet gelukt om het bedrag te incasseren. Naar Nederlands recht is de zaak nog niet verjaard. Het CJIB heeft veroordeelde wederom per brief in de gelegenheid gesteld om het bedrag te voldoen. Deze brief is retour gekomen.
In raadkamer is niet gebleken of aannemelijk geworden dat de veroordeelde thans buiten staat is aan de betalingsverplichting te voldoen.
Op 1 januari 2020 is de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Stb. 2017, 82; hierna: Wet USB) in werking is getreden. Voor zover hier van belang strekt deze wet ertoe om in zaken als deze, waarin een ontnemingsmaatregel is opgelegd en betaling en volledig verhaal zijn uitgebleven, geen lijfsdwang meer toe te passen maar het dwangmiddel van gijzeling, waarbij al bij de oplegging van de maatregel het maximale aantal dagen waarvoor dit dwangmiddel kan worden toegepast, wordt vastgesteld. Het Openbaar Ministerie kan vervolgens bij de rechter machtiging vorderen de veroordeelde te gijzelen.
In de situatie dat de ontnemingsmaatregel is opgelegd vóór 1 januari 2020 heeft de rechter bij die oplegging niet de duur van de gijzeling bepaald die met toepassing van artikel 6:6:25 Sv Pro ten hoogste kan worden gevorderd. Een redelijke wetsuitleg brengt in zo’n geval het volgende met zich. Wanneer het Openbaar Ministerie een vordering doet om te worden gemachtigd gijzeling toe te passen en de rechter die vordering toewijst, bepaalt deze rechter de duur van de gijzeling. Daarbij rekent hij, overeenkomstig de vierde volzin van artikel 6:6:25 lid 4 Sv Pro, voor elke volle € 50,00 van het bedrag waarvoor verhaal is gezocht, niet meer dan één dag aan gijzeling. Voor zover in zo’n geval het bedrag waarvoor verhaal is gezocht, in verband met de kosten van verhaal hoger is dan het bedrag waarvoor de ontnemingsmaatregel is opgelegd, gaat de rechter bij de toepassing van de vierde volzin van artikel 6:6:25 lid 4 Sv Pro uit van het bedrag waarvoor de ontnemingsmaatregel is opgelegd. In alle gevallen beloopt, overeenkomstig de derde volzin van artikel 36e lid 11 Sr, de duur van de gijzeling ten hoogste drie jaar.
De rechtbank acht zich bevoegd van de vordering kennis te nemen en acht de officier van justitie ontvankelijk in de vordering. De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie kan worden toegewezen. Zij sluit daarbij aan bij de huidige wetgeving en machtigt de officier van justitie het dwangmiddel gijzeling jegens veroordeelde - conform de vordering - toe te passen voor 25 dagen conform de LOVS-afspraken van januari 2021.

Beslissing

De rechtbank wijst de vordering toe en machtigt de officier van justitie tot de toepassing van gijzeling voor de duur van
25 dagen.
Deze beslissing is op 13 juni 2022 gegeven door mr. E.B. Prenger, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. de Kroon, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juni 2022.
De griffier is buiten staat om deze beslissing te ondertekenen.