ECLI:NL:RBZWB:2022:7541

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 december 2022
Publicatiedatum
13 december 2022
Zaaknummer
AWB- 22_3163
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 1 Bpb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot proceskostenvergoeding na toekenning WIA-uitkering

Verzoekster diende beroep in tegen het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen per 11 mei 2021. Na bezwaar wijzigde het UWV het besluit en kende alsnog de WIA-uitkering toe, waarna verzoekster het beroep introk en vergoeding van proceskosten vorderde.

De rechtbank overwoog dat bij intrekking van beroep wegens tegemoetkoming door het bestuursorgaan, proceskostenveroordeling mogelijk is op grond van artikel 8:75a Awb. De rechtbank beperkte de beoordeling tot de beroepsfase, omdat de proceskosten voor de bezwaarfase reeds waren toegekend.

De rechtbank achtte het verzoek kennelijk gegrond en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten ad € 956,51, waaronder kosten voor rechtsbijstand en deskundigenrapporten. Tevens wees de rechtbank op de verplichting van het UWV tot vergoeding van het griffierecht.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster ad € 956,51.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/3163

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2022 in de zaak tussen

[naam verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. W.P.J.M. van Gestel),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 29 april 2021 (primair besluit) heeft verweerder besloten dat verzoekster per 11 mei 2021 geen WIA-uitkering krijgt.
In het besluit van 13 mei 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
In het besluit van 14 september 2022 heeft verweerder het bestreden besluit gewijzigd en in plaats daarvan besloten dat verzoekster per 11 mei 2021 alsnog recht heeft op een WIA-uitkering.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld geen bezwaar te maken tegen een proceskostenveroordeling.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekster.
Bij het nieuwe besluit heeft verweerder al een proceskostenveroordeling voor de bezwaarfase toegekend. De beoordeling hierna over de gevraagde proceskostenveroordeling beperkt zich daarom tot de beroepsfase.
Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- met een wegingsfactor 1).
Verzoekster heeft daarnaast vergoeding gevraagd voor de kosten van informatieverstrekking van het [naam ziekenhuis] en de huisarts van verzoekster. Deze kosten bedragen respectievelijk € 104,75 en € 92,76. De rechtbank overweegt dat deze kosten moeten worden aangemerkt als kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb [1] . Nu de kosten van het opvragen van deze informatie voldoende zijn gespecificeerd, komen de kosten voor vergoeding in aanmerking.
De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden. Verzoekster zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 956,51.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 9 december 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.ECLI:NL:2006:AY9124