Belanghebbende, werkzaam als rijnvarende aan boord van een motortankschip geregistreerd in Nederland, maakte bezwaar tegen aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2009 en 2010. De kern van het geschil betrof de vraag of belanghebbende premieplichtig was in Nederland of Luxemburg, mede gezien een E101-verklaring afgegeven door Luxemburg.
De rechtbank oordeelde dat op grond van het Rijnvarendenverdrag belanghebbende sociaal verzekerd en premieplichtig was in Nederland, omdat de exploitant van het schip een Nederlandse onderneming was. De E101-verklaring van Luxemburg was niet bindend voor Nederland. Verder werd het beroep op het evenredigheidsbeginsel en de Regeling Tijdelijke Tegemoetkoming Rijnvarenden (RTTR) afgewezen, omdat deze regeling niet van toepassing was op de jaren in geschil.
Belanghebbende vorderde ook vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van bezwaar en beroep. De rechtbank stelde vast dat de termijn met 113 maanden was overschreden en kende een vergoeding toe van € 9.500, waarvan € 7.146 door de inspecteur en € 2.354 door de Minister betaald moet worden. Daarnaast werden proceskosten en griffierechten deels toegewezen.