Op 27 december 2021 vond een ruzie plaats tussen verdachte en haar toenmalige partner waarbij verdachte het slachtoffer met een mes in het been stak. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte mishandeling heeft gepleegd door het steken in het been, maar niet de poging tot zware mishandeling omdat onvoldoende bewijs voor het steken in de arm en de ernst van het letsel ontbrak.
De verdediging voerde onder meer aan dat sprake was van noodweer of noodweerexces vanwege agressief gedrag van het slachtoffer en een emotionele toestand van verdachte. De rechtbank verwierp deze verweren omdat het scenario van verdachte niet werd ondersteund door bewijsmiddelen en de aanranding niet aannemelijk was.
Verdachte leed aan een persoonlijkheidsstoornis die haar gedragskeuzes beïnvloedde, waardoor het feit in verminderde mate aan haar werd toegerekend. Gezien haar strafblad, psychische problematiek en het advies van deskundigen legde de rechtbank een gevangenisstraf van 6 weken op, met aftrek van 95 dagen voorarrest, zodat zij haar straf reeds had uitgezeten.
De officier van justitie had een hogere straf geëist op basis van de poging tot zware mishandeling, maar de rechtbank volgde dit niet omdat alleen mishandeling bewezen was. De rechtbank legde geen voorwaardelijke straf op vanwege de reeds doorgebrachte voorarrestperiode.
Het vonnis is gewezen door de meervoudige kamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Middelburg en uitgesproken op 15 december 2022.