Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[belanghebbende],
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De erfgenaam van de belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de WOZ-waarde en de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) van een vrijstaande woonboerderij uit 1925. De heffingsambtenaar had de WOZ-waarde vastgesteld op €598.000, terwijl de erfgenaam een maximale waarde van €475.000 aanvoerde. De rechtbank beoordeelde of de aanslag en beschikking op zorgvuldige wijze tot stand waren gekomen, onder meer met betrekking tot tijdigheid en tenaamstelling.
De rechtbank oordeelde dat de WOZ-waarde en aanslag binnen de wettelijke termijnen waren vastgesteld en dat de heffingsambtenaar bevoegd was de beschikking aan de moeder op te leggen, die vruchtgebruik had. De erfgenaam was bevoegd de procedure voort te zetten. De vermeende onzorgvuldigheid door het later opleggen van de aanslag en het gebruik van de verkoopprijs als waardebasis werd verworpen. De rechtbank stelde dat de verkoopprijs in beginsel de waarde in het economische verkeer weerspiegelt, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt.
De rechtbank concludeerde dat de waarde en aanslag niet te hoog waren vastgesteld en dat het beroep ongegrond is. De erfgenaam krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed. De uitspraak is gedaan door rechter M.M. Dondorp-Loopstra op 14 december 2022.
Uitkomst: Het beroep van de erfgenaam tegen de WOZ-waarde en OZB-aanslag is ongegrond verklaard en de vastgestelde waarde bevestigd.