De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft verdachte veroordeeld voor het opzettelijk telen, vervoeren en aanwezig hebben van een groot aantal hennepplanten en hennepstekken in de periode van 2009 tot 2012. Verdachte is echter vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie omdat onvoldoende bewijs bestond dat zij wist dat zij deel uitmaakte van een dergelijke organisatie.
De zaak kent een lange proceduregeschiedenis, met een eerdere niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in 2015, vernietiging van het vonnis door het gerechtshof in 2018 en terugverwijzing naar de rechtbank. De inhoudelijke behandeling vond plaats in oktober 2022, waarbij verdachte niet aanwezig was maar wel werd vertegenwoordigd door haar raadsman.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs voldoende was voor de hennepgerelateerde feiten, maar onvoldoende voor deelname aan de criminele organisatie. Bij de strafoplegging werd rekening gehouden met de forse overschrijding van de redelijke termijn van berechting, die ruim vijf jaar bedroeg. Gezien deze overschrijding en de persoonlijke omstandigheden van verdachte werd een gevangenisstraf van tien dagen opgelegd, welke reeds door het voorarrest is voldaan.
De rechtbank benadrukte de maatschappelijke impact van hennepteelt en de ondermijnende werking van de handel in softdrugs, maar hield ook rekening met het feit dat verdachte geen eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten had. De straf is conform de eis van het Openbaar Ministerie, met aftrek van het voorarrest.
Het vonnis is gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 15 december 2022.