ECLI:NL:RBZWB:2022:7655
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde woning en aanslag OZB met vergoeding immateriële schade
Belanghebbende is eigenaar van een appartement uit 1994 en betwist de vastgestelde WOZ-waarde van €245.000 per 1 januari 2019. De heffingsambtenaar handhaaft deze waarde en de daarbij behorende aanslag onroerendezaakbelasting (OZB). De rechtbank beoordeelt het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar en oordeelt dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, mede op basis van een taxatierapport en een vergelijking met vergelijkingsobjecten in hetzelfde appartementencomplex.
Belanghebbende voert onder meer aan dat het gehanteerde indexeringspercentage onjuist is toegepast en dat het aandeel in het reservefonds van de vereniging van eigenaars niet correct is verwerkt. De rechtbank volgt deze argumenten niet, gelet op de geloofwaardige toelichting van de heffingsambtenaar en de taxateur. De aanslag watersysteemheffing blijft buiten beschouwing omdat daartegen geen gronden zijn aangevoerd.
De rechtbank constateert een overschrijding van de redelijke termijn van 8 maanden in de beroepsfase en kent belanghebbende daarom een vergoeding van €1.000 toe voor immateriële schade. Daarnaast wordt een gedeeltelijke proceskostenvergoeding van €380 toegekend voor de door een gemachtigde verleende rechtsbijstand, en wordt het griffierecht van €48 vergoed. De beschikking en aanslag OZB blijven gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard, met toekenning van vergoeding immateriële schade en proceskosten aan belanghebbende.