ECLI:NL:RBZWB:2022:7739
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde woning en overschrijding redelijke termijn
Belanghebbende is huurder van een tussenwoning uit 1962 en betwist de vastgestelde WOZ-waarde van €170.000 per 1 januari 2019. De heffingsambtenaar handhaaft deze waarde en heeft een deskundige taxateur ingeschakeld die de waarde op €185.000 heeft bepaald op basis van vergelijkingsobjecten in dezelfde plaats, rekening houdend met kenmerken zoals de aanwezigheid van een brandgang.
Belanghebbende voert aan dat de indexering niet voldoende is onderbouwd, dat de brandgang niet correct is meegenomen en dat de onderhoudstoestand van de woning slechter is dan gehanteerd. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, mede door de deskundige verklaring en de vergelijkingsobjecten die ook brandgangen hebben.
Verder is de redelijke termijn van twee jaar overschreden met ongeveer tien maanden. Hoewel dit normaal leidt tot vergoeding van immateriële schade, wijst de rechtbank dit af omdat het financieel belang van belanghebbende gering is en er geen aannemelijk bewijs is van daadwerkelijke spanning of frustratie.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, de beschikking blijft gehandhaafd en belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de beschikking blijft gehandhaafd.