ECLI:NL:RBZWB:2022:7741
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering WOZ-waarde woning wegens onvoldoende onderbouwing heffingsambtenaar
Belanghebbende betwistte de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, gesteld op €271.000, en stelde een lagere waarde van €208.000 voor. De heffingsambtenaar baseerde zijn waardering op een taxatierapport van een deskundige, waarbij vergelijkingsobjecten werden gebruikt en een indexering werd toegepast. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was, mede omdat de gehanteerde bovenwaartse bijstelling van de prijs per eenheid onvoldoende was onderbouwd.
Belanghebbende had zijn lagere waarde niet cijfermatig onderbouwd, maar ook de heffingsambtenaar slaagde niet in zijn bewijslast. De rechtbank stelde daarom de WOZ-waarde in goede justitie vast op €260.000. Tevens werd een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend, evenals proceskosten en griffierecht.
De uitspraak vernietigt de eerdere uitspraak op bezwaar, vermindert de aanslag OZB overeenkomstig de nieuwe waarde en veroordeelt de minister tot vergoeding van immateriële schade en de heffingsambtenaar tot betaling van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De WOZ-waarde wordt verminderd naar €260.000 en belanghebbende ontvangt vergoeding immateriële schade en proceskosten.