ECLI:NL:RBZWB:2022:7742
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering WOZ-waarde woning wegens onvoldoende onderbouwing heffingsambtenaar
Belanghebbende betwist de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die per 1 januari 2019 is vastgesteld op €326.000. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde na bezwaar, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank beoordeelt de onderbouwing van de waarde, waarbij de heffingsambtenaar een taxatieverslag en een waardeberekening door een gediplomeerd taxateur overlegt.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Met name is onvoldoende inzicht gegeven in de toegepaste bovenwaartse bijstelling van de prijs per eenheid op basis van het principe van afnemend grensnut. Belanghebbende heeft zijn lagere waarde van €280.000 niet aannemelijk gemaakt, omdat hij geen gedetailleerde onderbouwing of eigen taxatie heeft overgelegd.
De rechtbank stelt daarom de WOZ-waarde in goede justitie vast op €305.000 en vermindert de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig. Tevens kent de rechtbank een vergoeding toe van €1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn van 24 maanden, waarvan €100 voor de bezwaarfase en €900 voor de beroepsfase. Daarnaast worden proceskosten en griffierecht aan belanghebbende toegekend.
Uitkomst: WOZ-waarde woning verminderd naar €305.000 en vergoeding immateriële schade toegekend wegens termijnoverschrijding.