ECLI:NL:RBZWB:2022:7749

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 december 2022
Publicatiedatum
19 december 2022
Zaaknummer
AWB- 22_4056
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding na intrekking beroep tegen besluit NOW-2

Verzoekster had beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de definitieve tegemoetkoming in het kader van de tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-2). Het primaire besluit stelde de tegemoetkoming vast op € 10.536,-. Na bezwaar werd dit bedrag gewijzigd naar € 43.180,-, waarna verzoekster haar beroep introk.

De rechtbank beoordeelde het verzoek om proceskostenvergoeding op grond van artikel 8:54 Awb Pro en de artikelen 8:75 en 8:75a Awb. Omdat de minister gedeeltelijk tegemoet was gekomen aan het beroep, werd het verzoek om proceskostenvergoeding als kennelijk gegrond toegewezen.

De proceskosten werden vastgesteld op € 759,-, gebaseerd op één punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,-. Daarnaast wees de rechtbank erop dat de minister verplicht is het griffierecht van € 365,- te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door rechter Van de Sande op 15 december 2022 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van € 759,- aan proceskosten na intrekking van het beroep wegens tegemoetkoming in het NOW-2 besluit.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/4056

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2022 in de zaak tussen

[naam verzoekster] , uit [plaatsnaam] , verzoekster

(gemachtigde: mr. N.J. Brouwer),
en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 17 mei 2022 (primair besluit) heeft verweerder de definitieve tegemoetkoming Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-2) vastgesteld op € 10.536,-.
In het besluit van 12 juli 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
In het besluit van 7 november 2022 heeft verweerder het bestreden besluit gewijzigd en in plaats daarvan de definitieve tegemoetkoming NOW-2 vastgesteld op € 43.180,-.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat één procespunt voor het indienen van het beroepschrift voor vergoeding in aanmerking komt.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekster.
Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759,- (1punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- met een wegingsfactor 1).
De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 365,- te vergoeden. Verzoekster zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 759,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 15 december 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.