Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , uit [plaatsnaam] , eiser,
Procesverloop
Wat ging er aan deze procedure vooraf
Wat vindt eiser
Waarover gaat het in deze zaak
Wat vindt de rechtbank?
.De rechtbank vindt dat het UWV terecht heeft beslist dat eiser op 26 oktober 2020 voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is (en dus geen recht heeft op een WIA-uitkering). De rechtbank zal dat hierna uitleggen.
.De rechtbank vindt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft uitgelegd waarom de in beroep overgelegde stukken geen reden vormen om meer beperkingen aan te nemen. Zij heeft toegelicht dat de huisartsenbrochure NHG Cystenieren in de bezwaarprocedure is betrokken bij de beoordeling. Er wordt hiermee dan ook geen nieuwe medische informatie ingebracht. Bovendien betreft dit algemene informatie over de aandoening cystenieren en niet op eiser toegespitste medische informatie. Een verdere beperking voor duurbelastbaarheid acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet nodig omdat de internist niet heeft aangegeven dat eiser moet rusten. Rust vanuit preventief oogpunt is daarom niet aan de orde. Met de al aangenomen duurbeperking in combinatie met de overige aangenomen beperkingen wordt in voldoende mate tegemoet gekomen aan de verminderde energetische belastbaarheid van eiser. Eiser wijst naar de urenbeperking die door de bedrijfsarts is gesteld en waarvan hij vindt dat het UWV die moet overnemen. Daarvoor bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen grond. Voorop staat dat een bedrijfsarts beperkingen opstelt in het kader van de re-integratie naar (eigen of ander) werk. Dit ziet dus niet op de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid volgens de regels van de Wet WIA. Bovendien heeft de bedrijfsarts deze beperkingen in 2019 gesteld en hebben de verzekeringsartsen van het UWV eisers beperkingen vastgesteld per 26 oktober 2020. Eiser heeft verder geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat hij op deze datum verder beperkt zou moeten worden geacht voor de vermoeidheidsklachten die hij ervaart door zijn nierfunctie en de slaapapneu. Voor de beperking op het vlak van vervoer benoemt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat het hierbij gaat om zelfstandig reizen met de auto, of door te fietsen of door gebruik te maken van het openbaar vervoer. Autorijden is niet mogelijk, zoals blijkt uit de reeds aangenomen beperking op het item beroepsmatig vervoer. Eiser wordt wel in staat geacht zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen. Hoewel hij veel moet drinken op een dag kan hij hiermee wel in enige mate rekening houden. Hij wordt in staat geacht een halte of station te kunnen bereiken en plaats te nemen in bus, tram of trein. Daarnaast is er geen bezwaar dat eiser zich verplaatst per fiets. De stelling van eiser dat hij belemmeringen ervaart bij het reizen van en naar de werkplek is onderkend en meegenomen in de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft toegelicht dat eiser, met zijn klachten, mogelijkheden heeft om van en naar een werkplek te reizen. Hierbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat eiser in zijn beroepschrift zelf heeft aangegeven te fietsen zodat zijn klachten dit kennelijk niet belemmeren. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep bestaat er geen noodzaak om een beperking aan te nemen op frequent buigen. In bezwaar is het buigen namelijk beperkt tot maximaal 45 graden, waardoor wordt voorkomen dat er druk op de buik komt te staan. Omdat buigen tot maximaal 45 graden verantwoord mogelijk is, geeft een frequentie van 150 keer per uur geen schade. Ook is in de geduide functies 150 keer buigen per uur niet aan de orde. Voor het beperken van handelingstempo in het dagelijks leven bestaat bij eiser geen noodzaak. Het gaat er bij dit item om of iemand in staat is een handelingstempo te realiseren in het dagelijks leven. Het beoordelingspunt is bedoeld om een permanente en aanzienlijke vertraging van het algemene handelen te karakteriseren. Zowel de verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen ernstig vertraagd handelingstempo geobserveerd. Eiser betwist ten slotte nog de inschatting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat zijn belastbaarheid nog zal verbeteren. Volgens de rechtbank heeft het UWV hierover terecht gesteld dat deze discussie ziet op de vraag naar de duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen; deze vraag komt eerst relevantie toe wanneer sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid, hetgeen bij eiser niet het geval is. De rechtbank ziet in het beroepschrift en de door eiser overgelegde stukken geen aanleiding de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te volgen.
De conclusie van de rechtbank
Beslissing
.