ECLI:NL:RBZWB:2022:7772
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling WOZ-waarde sportaccommodatie en bijgebouw na bezwaar
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waardebeschikkingen en aanslagen onroerendezaakbelasting (OZB) voor een sportaccommodatie en een bijgebouw, beide gelegen op verschillende adressen binnen hetzelfde terrein. De heffingsambtenaar stelde de waarden aanvankelijk hoog vast, maar verlaagde deze na bezwaar. De rechtbank beoordeelde de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar.
De heffingsambtenaar diende de waarde te onderbouwen met een taxatierapport, maar een essentieel onderdeel van de onderbouwing, de tweede bladzijde van de matrix, ontbrak. Hierdoor kon de rechtbank de waardebepaling niet beoordelen en wees het bewijsaanbod om ontbrekende stukken alsnog in te dienen af. De rechtbank oordeelde dat de bewijslast bij de heffingsambtenaar ligt en dat deze niet is voldaan.
Belanghebbende had onvoldoende concrete waardes aangevoerd. De rechtbank stelde daarom de WOZ-waarden in goede justitie vast op € 825.000 voor de sportaccommodatie en € 230.000 voor het bijgebouw. De beroepen werden gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd en de aanslagen dienovereenkomstig verminderd. De heffingsambtenaar werd verplicht het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de uitspraken op bezwaar en stelt de WOZ-waarden vast op € 825.000 en € 230.000.