ECLI:NL:RBZWB:2022:7800

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 december 2022
Publicatiedatum
21 december 2022
Zaaknummer
02/116884-19 (ontneming)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij mensensmokkel en valsheid in geschrift

Verdachte heeft zich gedurende ruim 3,5 jaar schuldig gemaakt aan mensensmokkel van vijf vrouwen vanuit Thailand naar Nederland, waarbij deze vrouwen in zijn massagesalon seksueel werden uitgebuit. Daarnaast pleegde hij meermalen medeplegen van valsheid in geschrift door gebruik van vervalste salarisstroken en diploma’s.

In de onderliggende strafzaak is verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden. De officier van justitie vorderde daarnaast ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, berekend op basis van een kasopstelling die een onverklaarbaar vermogen van €101.602,70 aantoonde.

De verdediging voerde aan dat de berekening onjuist was vanwege legale inkomsten en hogere kosten, en verzocht om vermindering van het bedrag en vrijgave van beslag op sieraden en horloges. De rechtbank verwierp deze verweren omdat verdachte geen legale herkomst van het vermogen aannemelijk had gemaakt en geen bewijs was geleverd voor overbeslag.

De rechtbank stelde het ontnemingsbedrag vast op €101.602,70 en legde de verplichting tot betaling aan de staat op, met een gijzelingsduur van 1080 dagen bij niet-betaling. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e Wetboek van Strafrecht.

Uitkomst: De rechtbank legt een ontnemingsbedrag van €101.602,70 op aan verdachte en bevestigt de gevangenisstraf van 36 maanden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02/116884-19
vonnis van de rechtbank d.d. 21 december 2022
in de ontnemingszaak tegen
[Betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1968 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] ,
raadsman mr. K.J. Breedijk, advocaat te Tilburg.

1.De procedure

Betrokkene is op 21 december 2022 bij vonnis van deze rechtbank in de bijbehorende strafzaak met parketnummer 02/116884-19, veroordeeld voor – voor zover in dit verband van belang en kort gezegd – meermalen medeplegen van mensensmokkel, terwijl die persoon daarvan een beroep of gewoonte heeft gemaakt, in de periode van 7 juni 2017 tot en met 28 mei 2019, tot de in die uitspraak vermelde straf.
De officier van justitie heeft bij vordering van 1 november 2022 ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd.
De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 november 2022, waarbij de officier van justitie mr. I.H.C.M. van Dorst en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Tijdens de zitting is het onderzoek ter terechtzitting onderbroken tot de zitting van 21 december 2022, op welke zitting het onderzoek ter terechtzitting is gesloten.

2.Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel voor kasopstelling (opgenomen in het [procesdossier] , Dossier A, ordner 11, pagina 4193 t/m 4303) blijkt dat door verdachte een bedrag van € 101.602,70 méér is uitgegeven dan uit legale bron is verkregen.

3.Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de vordering dient te worden afgewezen, vanwege de bepleite vrijspraak, dan wel dat de vordering gematigd dient te worden. De gevoerde verweren komen - kort gezegd - er op neer dat een onjuiste (wijze van de) berekening van het te ontnemen bedrag heeft plaatsgevonden, onder meer omdat er legale omzet met de massagesalon is verkregen, er hogere kosten zijn gemaakt en verdachte geld heeft verdiend met reparatiewerkzaamheden van elektronische apparatuur. Ook dient het bedrag van een opgelegde bestuurlijke boete in mindering te worden gebracht. De verdediging heeft ook verzocht het meerdere, ook wel genoemd het overbeslag, van € 69.914,25 en sieraden en horloges onmiddellijk vrij te geven, omdat dit niet met criminele activiteiten zou zijn verkregen.

4.Het oordeel van de rechtbank

4.1
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De ontnemingsvordering betreft een vordering onder het derde lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Daarom kan het wederrechtelijk verkregen voordeel worden ontnomen dat is behaald door middel van de bewezenverklaarde feiten of andere strafbare feiten.
De rechtbank neemt als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, de kasopstelling met onderbouwing zoals die is opgemaakt en weergegeven in het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal “rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel voor kasopstelling” (Dossier A, ordner 11, pagina 4193 t/m 4303) van het [procesdossier] .
Kasopstelling [Betrokkene] 01-01-2015 t/m 30-03-2020
+/+
begin saldo contant geld
€ 0,00
+/+
kasopnames van bankrekeningen en creditcards
€ 22.650,00
+/+
legale contante inkomsten
€ 34.920,00
+/+
Reparatie- en handelsactiviteiten
€ 1.000,00
+/+
Verkoop tassen
€ 3.500,00
+/+
Terugbetaling tickets
€ 0,00
+/+
Geldleningen van ouders
€ 15.000,00
+/+
Geldstortingen van ex-vrouw in 2015
€ 22.508,82
Legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen
€ 99.578,82
-/-
Eindsaldo contant geld (bij zoeking in beslag genomen)
€ 7.010,00
-/-
Contante stortingen op eigen bankrekeningen
€ 161.890,06
-/-
Contant betaalde moneytransfers bij fysieke kantoren
€ 26.981,46
-/-
Leningen aan [naam]
€ 5.300,00
Totale werkelijke contante uitgaven
€ 201,181,52
Beschikbaar voor het doen van uitgaven
€ 99.578,82
Werkelijke contante uitgaven incl. bankstortingen
€ 201.181,52
Verschil (wederrechtelijk verkregen voordeel)
€ 101.602,70
Uit deze kasopstelling blijkt dat sprake is van een aanzienlijk onverklaarbaar vermogen. Verdachte is er niet in geslaagd om een legale herkomst van het geld aannemelijk te maken. Dat verdachte meer of andere legale inkomsten heeft gehad is niet gebleken. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat uit het strafdossier en de behandeling van de vordering op zitting blijkt dat verdachte uit (andere) strafbare feiten financieel voordeel heeft genoten.
Dat het bedrag van een opgelegde bestuurlijke boete, die overigens nog niet onherroepelijk vaststaat omdat daartegen bezwaar is gemaakt, in mindering dient te worden gebracht, volgt niet uit de wet. Dit verzoek wordt dan ook verworpen.
De kennelijke opvatting van de raadsman dat de periode waarop de ontnemingsvordering ziet zich tot de bewezenverklaarde periode dient te beperken, vindt ook geen grondslag in de wet. Hetgeen de raadsman verder heeft aangevoerd kan niet tot een andere berekening leiden, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die leiden tot een andere berekening. De verweren van de raadsman worden dan ook verworpen.
Aan het verzoek van de raadsman om het overbeslag van € 69.914,25 en sieraden en horloges onmiddellijk vrij te geven zal de rechtbank geen gevolg geven, omdat zij dit verzoek onbegrijpelijk en niet onderbouwd acht. De raadsman heeft immers geen stukken overlegd waaruit zou kunnen volgen dat inderdaad sprake is van overbeslag en dat de sieraden en horloges op legale wijze zijn verkregen.
4.2
Vaststelling ontnemingsbedrag
De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie toewijzen en het terug te betalen bedrag vaststellen op € 101.602,70.

5.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

6.De beslissing

De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 101.602,70.
- legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van
€ 101.602,70ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
- bepaalt de duur van de gijzeling, die bij niet betaling van het ontnemingsbedrag kan worden gevorderd, op
1080 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.W.M. Sterk, voorzitter, mr. P.A.M. Wijffels en mr. M. Diepenhorst, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.J.A.M. Balemans, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 21 december 2022.
De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.