Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
3.Beoordeling door de rechtbank
4.Conclusie en gevolgen
5.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen het niet vergoeden van invorderingsrente en kosten die verband houden met de bezwaarfase over een aanslag afvalstoffenheffing 2021 van € 11,70. De aanslag was door belanghebbende betaald en later vernietigd, maar zonder rentevergoeding of kostenvergoeding.
De rechtbank oordeelt dat op grond van artikel 28b Invorderingswet alleen invorderingsrente wordt vergoed indien een verzoek om uitstel van betaling is afgewezen. Omdat belanghebbende de aanslag al had betaald, kon geen uitstel worden verleend of geweigerd, waardoor geen rentevergoeding verschuldigd is.
Ook is niet gebleken dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank ziet geen reden af te wijken van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De ambtenaar was niet aanwezig bij de zitting, maar de behandeling vond plaats met alleen belanghebbende. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst vergoeding van griffierecht en proceskosten af.
Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en er wordt geen vergoeding van invorderingsrente of kosten toegekend.