ECLI:NL:RBZWB:2022:7905

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 december 2022
Publicatiedatum
23 december 2022
Zaaknummer
403685_E22122022
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Van der Weide
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:441 BWArt. 11.1 koopovereenkomst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering nakoming koopovereenkomst woning in kort geding tussen familieleden

In deze zaak vordert eiser nakoming van een tweede koopovereenkomst betreffende een woning, gesloten met zijn zoon die lijdt aan schizofrenie en vertegenwoordigd wordt door een bewindvoerder. De eerste koopovereenkomst was achterhaald door de tweede, waarin levering uiterlijk op 1 september 2022 zou plaatsvinden.

Eiser heeft de hypotheeklasten betaald en stelt dat hij door omstandigheden vertraging opliep bij financiering, terwijl gedaagde de overeenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden wegens niet-nakoming door eiser. Gedaagde betwist de geldigheid van de tweede overeenkomst en beroept zich op vernietiging wegens wilsgebrek.

De voorzieningenrechter oordeelt dat onvoldoende duidelijkheid bestaat over de rechtsverhouding en dat het verweer van buitengerechtelijke ontbinding aannemelijk is. Een belangenafweging leidt niet tot toewijzing, mede gelet op de familiale relatie en de ernstige ziekte van gedaagde. De vordering wordt afgewezen en partijen dragen elk hun eigen kosten.

Uitkomst: De vordering tot nakoming van de koopovereenkomst wordt afgewezen en partijen dragen elk hun eigen kosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Locatie Middelburg
Cluster II Handelszaken
zaaknummer / rolnummer: C/02/403685 / KG ZA 22-557
Vonnis in kort geding van 22 december 2022
in de zaak van
[eiser]
wonende te [woonplaats 1] ,
e i s e r ,
advocaat mr. J.A de Waard,
en
[bewindvoerder], in haar hoedanigheid van bewindvoerder van
[gedaagde](hierna te noemen:
[gedaagde])
wonende te [woonplaats 2],
g e d a a g d e,
advocaat mr. R. Zwamborn.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
a. de dagvaarding van 29 november 2022 met producties 1 t/m 16;
b. de door mr. Zwamborn bij brief van 6 december 2022 overgelegde producties 1 t/m 6;
c. de mondelinge behandeling op 8 december 2022;
d. de pleitnota van Zwamborn.
1.2.
De dagvaarding is uitgevaardigd tegen [gedaagde] (hierna: [gedaagde] ) Gebleken is dat bij beschikking van 5 december 2022 de kantonrechter een bewind heeft ingesteld over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [gedaagde] en dat over [gedaagde] een mentorschap is ingesteld. Bij voornoemde beschikking is zijn moeder, [bewindvoerder] , tot bewindvoerder en tot mentor benoemd. Dit betekent dat [gedaagde] op grond van art. 1:441 BW Pro de procedure niet zelf kan voeren. Ter zitting was de bewindvoerder aanwezig. Mr Zwamborn heeft desgevraagd bevestigd dat de bewindvoerder het geding overneemt en hij heeft bevestigd dat hij zich als raadsman van haar stelt. De voorzieningenrechter stelt daarmee vast dat zij als wettelijk vertegenwoordiger van [gedaagde] het geding als formele procespartij overneemt.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten.

- [gedaagde] , is de zoon van eiser (hierna: [eiser] ). [gedaagde] lijdt aan schizofrenie.
- [eiser] en [gedaagde] hebben op 20 juli 2020 een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot koop van de onroerende zaken [adres 1] en [adres 2] te Goes tegen een koopsom van € 185.000,00 respectievelijk € 90.000,00. Het betreft twee zelfstandige woningen onder één dak. Bij akte van levering van 26 februari 2021 heeft [gedaagde] de eigendom verkregen van de woning [adres 1] en [eiser] van de woning [adres 2] . Voor de aanschaf van de woningen is door beiden een hypothecaire lening afgesloten bij de Rabobank waarvoor zij ieder hoofdelijk verbonden zijn. [eiser] heeft vanaf de levering (feitelijk) de hypotheeklasten betaald.
- [eiser] heeft aan [gedaagde] doen toekomen een ”schriftelijke koopovereenkomst woning” (hierna: de eerste overeenkomst) In deze overeenkomst is bepaald dat [gedaagde] aan [eiser] de woning [adres 1] verkoopt tegen een koopsom van
€ 185.000,00. In artikel 4.1. is bepaald dat de akte van levering uiterlijk gepasseerd zal worden op 30 december 2021 of zoveel eerder of later als partijen tezamen nader overeenkomen. In artikel 11.1 is bepaald dat, indien een van de partijen na in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen nalatig is of blijft in de nakoming van een of meer van haar uit de koopovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, de koopovereenkomst buitengerechtelijk kan worden ontbonden. De overeenkomst is door zowel [eiser] als [gedaagde] geparafeerd en ondertekend op 6 oktober 2021.
- De woning [adres 1] is vóór of uiterlijk op 30 december 2021 niet aan [eiser] geleverd.
- [eiser] heeft vervolgens aan [gedaagde] een schriftelijke koopovereenkomst voor bedrijfs-onroerend goed doen toekomen (hierna: de tweede overeenkomst). In deze over-eenkomst is bepaald dat [gedaagde] de woning [adres 1] aan [eiser] verkoopt voor € 185.000,00. In artikel 4.1. is bepaald dat de akte van levering zal worden gepasseerd op 1 september 2022 of zoveel eerder of later als partijen tezamen nader overeenkomen. Artikel 11.1 in deze overeenkomst is gelijk aan artikel 11.1. in de eerste overeenkomst. De tweede overeenkomst is alleen door [eiser] ondertekend. Deze overeenkomst is wel op elke pagina voorzien van een paraaf van [eiser] en – volgens [eiser] – van [gedaagde] .
- Bij brief van 4 november 2022 heeft mr. Zwamborn namens [gedaagde] aan [eiser] medegedeeld dat hij overweegt om de overeenkomst van 6 oktober 2021 te vernietigen op grond van dwaling, bedrog dan wel misbruik van omstandigheden, maar dat dit onverlet laat dat geconstateerd is dat [eiser] in gebreke is gebleven bij de uitvoering van de overeenkomst, waaronder de verplichtingen uit hoofde van artikel 4.1.. Vervolgens is [eiser] in gebreke gesteld.
- In reactie hierop heeft mr. De Waard bij e-mail van 11 november 2022 aan mr. Zwamborn bericht dat de eerste overeenkomst achterhaald is vanwege de tweede overeenkomst en dat [eiser] wenst dat die laatste overeenkomst wordt nagekomen.
- [gedaagde] betwist dezelfde dag bij schrijven van mr. Zwamborn de tweede overeenkomst te hebben getekend. Voor het geval mocht blijken dat hij die overeenkomst wel heeft getekend, heeft hij [eiser] in gebreke gesteld op grond van artikel 11.1. van de overeenkomst. Daarnaast wordt het recht voorbehouden de tweede overeenkomst te vernietigen wegens dwaling, bedrog dan wel misbruik van omstandigheden.
- Bij brieven van 14 en 21 november 2022 heeft mr. Zwamborn aan mr. De Waard medegedeeld dat geconstateerd wordt dat [eiser] niet uit zijn verplichtingen uit hoofde van de eerste respectievelijk de tweede overeenkomst heeft voldaan, dat hij ten aanzien van die overeenkomsten definitief in verzuim is en dat die overeenkomsten buitengerechtelijk worden ontbonden.
- [eiser] heeft uitdrukkelijk bezwaar gemaakt tegen de buitengerechtelijke ontbinding van de (tweede) overeenkomst.
- Tussen (de advocaten van) partijen is vervolgens gecorrespondeerd. Partijen hebben daarin volhard in hun standpunten.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert als voorlopige voorziening, samengevat:
1. [gedaagde] q.q. te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis mee te werken aan de juridische levering van de onroerende zaak [adres 1] te Goes aan [eiser] tegen een koopprijs van € 185.000,00, en te bepalen dat bij gebreke van tijdige medewerking dit vonnis in de plaats treedt van (een deel van) de akte danwel van de door haar te plaatsen handtekeningen ten behoeve van de levering van voormelde onroerende zaak;
2. [gedaagde] q.q. te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[eiser] grondt zijn vordering op nakoming van de tweede overeenkomst. De eerste overeenkomst is door het sluiten van de tweede overeenkomst achterhaald. Door strikt vast te houden aan de in de tweede koopovereenkomst vermelde termijnen handelt [gedaagde] q.q. in strijd met de redelijkheid en billijkheid gelet op de wijze waarop [eiser] en [gedaagde] met elkaar zijn omgegaan en maakt zij misbruik van recht. [eiser] voert daartoe het volgende aan.
Hij heeft juist geprobeerd om [gedaagde] te helpen door hem per 1 juni 2020 werk aan te bieden in zijn onderneming en door te zorgen voor huisvesting. Als gevolg van de ziekte van [gedaagde] is na een korte periode gebleken dat de samenwerking tussen partijen niet bracht wat zij ervan verwacht hadden, waarna [gedaagde] per 1 maart 2021 is ontslagen. [gedaagde] had doordoor geen inkomsten meer. Partijen hebben daarom in onderling overleg besloten dat [gedaagde] de woning [adres 1] aan [eiser] zou verkopen. Omdat [eiser] de woningen wil gaan verhuren heeft het langer geduurd dan voorzien voor hij de daarvoor benodigde financiering rond had. Daardoor zijn de termijnen in de eerste overeenkomst niet gehaald en hebben partijen de tweede overeenkomst gesloten. Ook de in die overeenkomst opgenomen termijnen zijn niet gehaald wegens het uitblijven van financiering. Die heeft hij inmiddels wel rond. [eiser] heeft alle hypotheeklasten van de woning van [gedaagde] voor zijn rekening genomen. Daarnaast heeft hij [gedaagde] over de periode februari 2022 tot en met november 2022 een bedrag van
€ 5.240,00 aan zakgeld betaald. Ook heeft hij veel werkzaamheden verricht om de panden, die in slechte staat verkeerden, voor bewoning geschikt te maken. Alleen al voor het pand [adres 1] komt dit neer op een bedrag van € 84.015,00.
3.3.
[gedaagde] q.q. stelt zich op het standpunt dat zij niet gehouden is om mee te werken aan de levering van de woning aan [eiser] . De tweede overeenkomst is buitengerechtelijk ontbonden omdat de woning door toedoen van [eiser] niet is geleverd binnen de in die overeenkomst gestelde termijn, [eiser] heeft niet aan zijn verplichtingen voldaan, ook niet na daartoe in gebreke te zijn gesteld. Indien en voor zover niet zou komen vast te staan dat de overeenkomst buitengerechtelijk is ontbonden beroept zij zich op vernietiging van de overeenkomst op grond van een wilsgebrek. [gedaagde] q.q. betwist dat zij handelt in strijd met de redelijkheid en billijkheid of dat er sprake zou zijn van misbruik van recht. [gedaagde] heeft inmiddels een uitkering en kan daarvan zijn deel van de hypotheektermijnen betalen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Met betrekking tot het spoedeisend belang heeft [eiser] gesteld dat de offerte voor de geldlening ter financiering van de woning per 30 december 2022 vervalt. Daarmee heeft hij, anders dan [gedaagde] q.q. stelt, voldoende aannemelijk gemaakt spoedeisend belang bij zijn vorderingen te hebben. De enkele omstandigheid dat [eiser] geruime tijd heeft laten verlopen voordat hij nakoming van de overeenkomst(en) heeft gevorderd doet er niet aan af dat nu spoedeisend belang bij de vordering bestaat.
4.2.
De vordering strekt tot nakoming van de tweede overeenkomst. Vast staat dat [eiser] niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit hoofde die overeenkomst. Omdat [eiser] de financiering niet rond had, heeft de levering van de woning [adres 1] op of voor 1 september 2022 niet plaatsgevonden, en ook niet gedurende de termijn van acht dagen nadat hij bij brief van 11 november 2022 in gebreke was gesteld. In artikel 11.1. van de overeenkomst is bepaald dat de koopovereenkomst in dat geval buitengerechtelijk kan worden ontbonden.
4.3.
Het beoordelingskader in kort geding brengt met zich dat indien onvoldoende duidelijkheid bestaat over de rechtsverhouding van de partijen -en dus over de vraag of er een rechtsgrond is voor het gevorderde- en uit een belangenafweging niet geconcludeerd kan worden dat er grond is voor het geven van een voorlopige voorziening, de gevraagde voorlopige voorziening niet behoort te worden gegeven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet die situatie zich voor. Niet onaannemelijk is dat het verweer van [gedaagde] q.q. dat de overeenkomst buitengerechtelijk is ontbonden in de bodemprocedure slaagt. Dit leidt ertoe dat de vordering reeds hierom niet kan worden toegewezen en dat de overige standpunten van partijen geen bespreking meer behoeven.
4.4.
Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Zowel toewijzing als afwijzing van de vordering heeft ingrijpende gevolgen. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat de onderhavige verwikkelingen zijn ontstaan doordat [eiser] betrekkingen is aangegaan met zijn aan schizofrenie lijdende zoon, door de behandelend arts omschreven als “zeer ernstig”. Om die reden is ook onaannemelijk dat in een later te volgen bodemprocedure geoordeeld zal worden dat sprake is van handelen in strijd met de redelijkheid of billijkheid of misbruik van recht van de kant van [gedaagde] .
4.5.
Gelet op de tussen partijen bestaande familierechtelijke relatie zal de voor-zieningenrechter de kosten tussen partijen compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Weide en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2022.