Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
3.Beoordeling door de rechtbank
4.Conclusie en gevolgen
5.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2014 tot en met 2020. De rechtbank beoordeelt onder meer het geschil over de box 3-heffing, het hoorrecht, individuele en buitensporige last, en dwangsommen wegens te late beslissingen.
De rechtbank oordeelt dat het hoorrecht voor de jaren 2014 tot en met 2016 is geschonden, maar gaat hieraan voorbij omdat geen verschil van mening bestaat over de feiten en het geschil betrekking heeft op een aangelegenheid zonder beleidsvrijheid. Voor de jaren 2017 tot en met 2020 wordt het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen verlaagd conform het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021. Tevens wordt vastgesteld dat geen sprake is van een individuele en buitensporige last.
Belanghebbende heeft recht op dwangsommen voor de jaren 2018 en 2019 wegens te late beslissingen, maar niet voor 2017 vanwege onredelijke ingebrekestelling. Een verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen wegens gebrek aan aannemelijkheid van schade. De rechtbank kent een immateriële schadevergoeding toe voor overschrijding van de redelijke termijn, welke reeds is toegekend in een gerelateerde uitspraak.
De beroepen worden gegrond verklaard voor de jaren 2017 tot en met 2020, de uitspraken op bezwaar vernietigd, en de aanslagen verminderd tot de correcte box 3-inkomens. De inspecteur moet griffierecht en proceskosten vergoeden.
Uitkomst: De beroepen tegen de aanslagen over 2017-2020 worden gegrond verklaard en de aanslagen verminderd; dwangsommen worden toegekend voor 2018 en 2019.