ECLI:NL:RBZWB:2022:7960
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over niet tijdig beslissen op herbeoordeling kinderopvangtoeslag
Eiseres heeft op 2 april 2021 een verzoek ingediend tot herbeoordeling van haar situatie met betrekking tot de kinderopvangtoeslag. De Belastingdienst/Toeslagen (verweerder) had volgens de wettelijke termijnen uiterlijk op 2 april 2022 moeten beslissen, nadat zij de beslistermijn eenmaal met zes maanden had verlengd. Eiseres stelde verweerder op 31 maart 2022 in gebreke, waarna zij binnen twee weken nog geen besluit nam.
De rechtbank oordeelde dat verweerder alsnog binnen een redelijke termijn moest beslissen. Gezien het grote aantal verzoeken achtte de rechtbank een termijn van elf weken na verzending van de uitspraak redelijk. Verweerder verzocht om een langere termijn van dertien weken, maar dit werd afgewezen. Tevens werd een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd bij overschrijding van de termijn, met een maximum van € 15.000,-.
Daarnaast werd vastgesteld dat de door verweerder eerder berekende bestuurlijke dwangsom correct was en hoefde de rechtbank deze niet zelf vast te stellen. Omdat het beroep gegrond werd verklaard, werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiseres, vastgesteld op € 379,50.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de Belastingdienst op binnen elf weken alsnog te beslissen onder oplegging van een dwangsom.