Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft in 2014 in het Verenigd Koninkrijk gewoond en gewerkt en diende zijn aangifte inkomstenbelasting en premie zorgverzekeringen (IB/PVV) pas op 17 december 2019 in. De inspecteur legde een navorderingsaanslag op met een belastingrente van €1.165, berekend over bijna vijf jaar.
Belanghebbende betoogde dat de inspecteur onzorgvuldig had gehandeld door geen gelegenheid te bieden de onvolledige aangifte aan te vullen, en dat het evenredigheidsbeginsel toepassing verdient vanwege het ongewenste rente-effect. De rechtbank oordeelde dat de onvolledigheid van de aangifte niet zodanig was dat de inspecteur in redelijkheid had moeten twijfelen aan de juistheid, en dat de renteberekening een rechtstreeks gevolg is van de wet zonder beleidsvrijheid of matigingsmogelijkheden.
De rechtbank verwierp het beroep van belanghebbende en handhaafde de belastingrente, omdat het rente-effect het gevolg is van het eigen handelen van belanghebbende, waaronder het late indienen van de aangifte. Er is geen sprake van onzorgvuldig handelen of omstandigheden die matiging van de rente rechtvaardigen.
De rechtbank zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en wees erop dat hoger beroep mogelijk is bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het beroep tegen de belastingrente wordt ongegrond verklaard en de beschikking gehandhaafd.