Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- het tussenvonnis van 2 maart 2022 en de daarin genoemde stukken,
- de conclusie van antwoord in reconventie,
- de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling op 12 juli 2022 waarin
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Partijen zijn eigenaar van aan elkaar grenzende percelen. Gedaagde maakt gebruik van een steeg over het perceel van eiser om van haar perceel naar de openbare weg te gaan. Gedaagde stelt dat door verjaring een erfdienstbaarheid van weg is ontstaan, terwijl eiser dit betwist en zijn eigendomsrechten wil uitoefenen door zijn achtertuin uit te breiden.
De rechtbank beoordeelt dat de steeg en de tuinpoort al sinds 1985 aanwezig zijn en dat gedaagde en haar bezoekers deze steeg intensief gebruiken. Er is geen bewijs dat eiser of zijn rechtsvoorgangers dit gebruik hebben betwist of beëindigd. Hierdoor is voldaan aan de voorwaarden voor bezit van een erfdienstbaarheid door verjaring volgens artikel 3:105 BW Pro jo. artikel 3:306 BW Pro.
De rechtbank stelt vast dat de erfdienstbaarheid zich maximaal uitstrekt over een breedte van één meter en dat eiser zijn achtertuin mag uitbreiden zolang deze doorgang wordt gerespecteerd. Het verzoek van gedaagde om een verbod op het versmallen van de steeg wordt afgewezen omdat de uitoefening van het recht niet onredelijk wordt belemmerd. De proceskosten worden gecompenseerd, ieder draagt zijn eigen kosten.
Uitkomst: Door verjaring is een erfdienstbaarheid van weg ontstaan met een maximale breedte van één meter over het perceel van eiser ten behoeve van gedaagde.