Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- het verzoekschrift ex artikel 29f Sv;
- de schriftelijke reactie van de officier van justitie.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 29f Sv om de strafzaak tegen hem te beëindigen vanwege een exorbitante overschrijding van de redelijke termijn. De feiten betreffen oplichting, merkenfraude, witwassen en identiteitsfraude uit 2016/2017 met meerdere gedupeerden.
De rechtbank hield op 21 november 2022 een raadkamerzitting waarbij de officier van justitie en de raadsman van verzoeker werden gehoord. Verzoeker was opgeroepen maar niet verschenen. De raadsman gaf aan dat ondanks ontvangst van een omvangrijk dossier van 3050 pagina's, nog geen vervolgingsbeslissing was genomen en dat verdere vervolging niet opportuun is vanwege de achterstand in de strafrechtsketen en het belang van recente zaken.
De officier van justitie stelde dat het dossier inmiddels beschikbaar is en binnenkort zal worden beoordeeld. Het onderzoek heeft langer geduurd door internationale rechtshulp, maar het tijdsverloop is niet zodanig dat de strafzaak beëindigd moet worden. De rechtbank oordeelt dat enkel tijdsverloop onvoldoende is voor beëindiging en dat de vervolging nog niet is gestaakt. Daarom wijst zij het verzoek af.
Uitkomst: Het verzoek tot beëindiging van de strafzaak wordt afgewezen en de vervolging wordt voortgezet.