Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een Duitse staatsburger die in 2017 in Nederland werkte en vervolgens naar het buitenland werd gedetacheerd met een A1-verklaring, betwistte de premieplicht voor de volksverzekeringen over de periode van detachering. Hij had in zijn aangifte inkomstenbelasting een deel van zijn uitkering niet opgegeven en gaf aan niet verplicht verzekerd te zijn voor de volksverzekeringen.
De inspecteur stelde de premie volksverzekeringen alsnog vast en voegde de uitkering toe aan het belastbaar inkomen. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur terecht belanghebbende als premieplichtige heeft aangemerkt, mede op grond van de Europese Verordening 883/2004 en de Wet financiering sociale verzekeringen.
De rechtbank verwierp het verweer dat belanghebbende niet verplicht verzekerd zou zijn en dat de inspecteur onzorgvuldig zou hebben gehandeld bij de voorlopige aanslag. Ook het feit dat belanghebbende een ziektekostenverzekering in het buitenland had, was niet relevant voor de premieplicht.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2017 is ongegrond verklaard.