Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, woonachtig en werkzaam in Nederland in 2018, ontving naast haar arbeidsinkomen ook een sociale zekerheidsuitkering uit het buitenland. De inspecteur legde aanslagen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) op over het wereldinkomen, inclusief de buitenlandse uitkering.
Belanghebbende betwistte de heffing van premie volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw over de buitenlandse uitkering, stellende dat dit in strijd zou zijn met het vrije verkeer van werknemers en het ne bis in idem-beginsel. De rechtbank oordeelde dat Nederland als woonstaat belastingplichtig is over het wereldinkomen en dat het belastingverdrag met het betreffende land de heffing over de uitkering aan dat land toewijst, met een aftrek voor in het buitenland betaalde belasting.
Verder wees de rechtbank op de EG-Verordening nr. 883/2004, die bepaalt dat belanghebbende uitsluitend in Nederland premieplichtig is voor de volksverzekeringen, waardoor de buitenlandse premieheffing niet rechtsgeldig is. De inkomensafhankelijke bijdrage Zvw is eveneens terecht geheven omdat de buitenlandse instantie deze niet inhoudt. De stellingen van belanghebbende werden verworpen en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslagen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zvw over 2018 is ongegrond verklaard.