Verzoeker diende een verzoek in tot vergoeding van kosten rechtsbijstand na een voorwaardelijk sepot in een strafzaak. Het verzoek betrof een bedrag van €18.349,65 plus kosten voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift. De zaak werd behandeld door de raadkamer, waarbij verzoeker niet aanwezig was, maar vertegenwoordigd werd door een advocaat.
De officier van justitie stelde primair dat verzoeker niet-ontvankelijk was omdat het verzoek niet door hem zelf was ondertekend en subsidiair dat het verzoek moest worden afgewezen vanwege het voorwaardelijk sepot en onduidelijkheid over de kostenverdeling en schade. De advocaat voerde aan dat alleen een eenmalige toewijzing werd gevraagd en dat de kosten door de werkgever waren voldaan.
De rechtbank oordeelde dat het verzoek te vroeg was ingediend omdat de proeftijd van het voorwaardelijk sepot nog niet was verstreken, waardoor de zaak niet als beëindigd kon worden beschouwd. De wet biedt geen mogelijkheid tot voorwaardelijke toewijzing van het verzoek. Daarom werd verzoeker niet-ontvankelijk verklaard en werd niet inhoudelijk op de overige standpunten ingegaan.