ECLI:NL:RBZWB:2022:8312

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 juli 2022
Publicatiedatum
18 januari 2023
Zaaknummer
22-003819
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 2 Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 10 OpiumwetArt. 67 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift tegen afname en verwerking DNA-profiel bij veroordeling wegens drugsrunnen ongegrond verklaard

Veroordeelde is door de politierechter veroordeeld wegens een feit onder het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, namelijk het voorbereiden of bevorderen van een drugsgerelateerd misdrijf. Naar aanleiding daarvan is op 4 januari 2022 een bevel gegeven tot afname van celmateriaal voor DNA-onderzoek, waarvan veroordeelde op 22 februari 2022 heeft voldaan.

Veroordeelde heeft een bezwaarschrift ingediend tegen dit bevel, stellende dat DNA-onderzoek in zijn specifieke zaak niet van betekenis is voor opsporing en vervolging, mede vanwege zijn betwisting van het feit, zijn eerdere gedragsverbetering en ernstige gezondheidsklachten. Hij beroept zich op een uitzonderingsgrond in artikel 2, eerste lid, onder b van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden.

De rechtbank overweegt dat de Wet primair is gericht op het efficiënt opsporen en voorkomen van strafbare feiten en dat DNA-onderzoek bij veroordelingen voor misdrijven zoals drugsrunnen van belang kan zijn. Veroordeelde heeft in het verleden een langdurige gevangenisstraf voor een drugsgerelateerd feit ondergaan, wat het aannemelijk maakt dat DNA-onderzoek relevant is. Ook acht de rechtbank het niet aannemelijk dat veroordeelde in de toekomst geen strafbare feiten meer zal plegen. De medische omstandigheden en het berouw van veroordeelde wegen niet zwaarder dan het maatschappelijk belang.

Daarom verklaart de rechtbank het bezwaarschrift ongegrond. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen het bevel tot afname van celmateriaal voor DNA-onderzoek wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Locatie Breda
parketnummer: 02/134140-21
rk-nummer: 22-003819
Beslissing op het bezwaarschrift ex artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden(hierna te noemen de Wet), ingekomen ter griffie op 25 februari 2022, over het bevel tot afname van celmateriaal, van:
[veroordeelde]Geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats]
Woonplaats kiezende ten kantore van mr. L.A.E. Timmer, Laan op Zuid 153, 3072 DB Rotterdam
hierna te noemen: veroordeelde.

1.De procedure

Op 11 juli 2022 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie, veroordeelde en mr. L.A.E. Timmer als gemachtigd raadsvrouw van veroordeelde gehoord.
Namens veroordeelde is aangevoerd dat er hoger beroep is ingesteld en dat dit van belang is bij de beoordeling van de in de wet genoemde uitzonderingsgronden. Veroordeelde ontkent zich aan de aan hem verweten strafbare gedraging schuldig te hebben gemaakt. Op zichzelf is het niet uitgesloten dat er bij een Opiumwet feit DNA-materiaal wordt achtergelaten en zou dus niet in het algemeen kunnen worden gesteld dat DNA-onderzoek geen bijdrage zou kunnen leveren aan de opsporing. Het gaat echter om een veroordeling na een vermoeden van drugsrunnen, een feit dat veroordeelde met klem betwist. Het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde zal gelet op de aard van deze specifieke zaak niet van betekenis kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging of berechting van strafbare feiten (van veroordeelde). Er zou evenmin voor herhalingsgevaar moeten worden gevreesd. Uit het strafblad van veroordeelde blijkt dat er sprake is van meerdere overtredingen en een drietal misdrijven van enige tijd geleden. Veroordeelde heeft zich nadien voorgenomen nooit meer voor soortgelijke (of andere) feiten met politie en justitie in aanraking te komen. Veroordeelde heeft zijn leven dusdanig gebeterd dat de kans op recidive nihil is. Daarbij komt dat veroordeelde last heeft van (verscheidene) gezondheidsklachten. Veroordeelde is in het verleden neergeschoten na een uit de hand gelopen verkeersruzie. Hij loopt slecht en is sindsdien nierdialyse patiënt. Veroordeelde vindt dat ook in zijn geval het bepalen en verwerken van het DNA-profiel als disproportioneel moet worden beschouwd en dat zijn persoonlijke belangen zwaarder wegen dan het maatschappelijk belang. Veroordeelde verzoekt de rechtbank zijn bezwaarschrift gegrond te verklaren.
De officier van justitie heeft zich in raadkamer op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift ongegrond dient te worden verklaard. Gelet op de aard van het misdrijf en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd is er geen sprake van een uitzondering volgens de Wet. De Opiumwet levert bij uitstek strafbare feiten op waarbij DNA van cruciaal belang is in het strafrechtelijk (voor)onderzoek in al zijn pleegvormen.

2.De beoordeling

Bij uitspraak van de politierechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van is veroordeelde veroordeeld ter zake van, kort gezegd, een feit, bedoeld in het vierde lid van art. 10 Opiumwet Pro, ter zake het voorbereiden of bevorderen door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.
Na het bevel tot afname van celmateriaal ten behoeve van het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde van 4 januari 2022, heeft veroordeelde op 22 februari 2022 celmateriaal afgestaan.
Op basis van de door veroordeelde gevoerde verweren dan wel een ambtshalve beoordeling door de rechtbank, komt de rechtbank tot de volgende overwegingen.
Formeel:
Het bezwaarschrift is tijdig en op de juiste wijze ingediend. Veroordeelde kan derhalve in het bezwaarschrift worden ontvangen.
Aan de vereisten die de wet stelt ten aanzien van de afname van celmateriaal ten behoeve van het bepalen en verwerken van een DNA-profiel is voldaan, aangezien:
  • voornoemde veroordeling een feit betreft dat is omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv); en
  • niet is gebleken dat van veroordeelde al een DNA-profiel is verwerkt als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder a, van de Wet.
Materieel:
Veroordeelde doet een beroep op de uitzonderingsgrond van artikel 2, eerste lid, onder b van de Wet.
De rechtbank stelt voorop dat de Wet ertoe strekt gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van de veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen alsmede veroordeelde te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Daarbij is het uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven tenzij zich een van de in het eerste lid van artikel 2 van Pro de Wet genoemde gevallen voordoet. Een van deze gevallen betreft de situatie waarin redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Dit is blijkens de wetsgeschiedenis slechts in twee uitzonderingssituaties aan de orde.
Bij de eerste uitzondering gaat het om een veroordeling wegens een misdrijf voor de opheldering waarvan DNA-onderzoek niet van betekenis kan zijn.
De tweede uitzondering doet zich voor in het geval dat ondanks dat sprake is van een veroordeling wegens een relevant misdrijf, DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd. Hierbij valt te denken aan een veroordeelde van wie zeer onaannemelijk is dat hij ooit eerder een strafbaar feit heeft gepleegd voor de opsporing waarvan DNA-onderzoek van belang kan zijn, en die dat in de toekomst, bijvoorbeeld vanwege ernstig lichamelijk letsel, ook nooit meer zal kunnen doen. De laatste uitzonderingsmogelijkheid heeft slechts een beperkte reikwijdte. Zij gaat verder dan de feitelijke onmogelijkheid dat wordt gerecidiveerd, maar vereist altijd een objectief waardeerbare omstandigheid; louter berouw of een belofte van de veroordeelde is onvoldoende (Kamerstukken II, 2002-2003, 28685, nr. 3, p. 11-12). Het betreft beperkt uit te leggen uitzonderingen (HR 13 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8231).
De rechtbank is van oordeel dat veroordeelde geen beroep toekomt op de in de Wet genoemde uitzonderingen. In de onderhavige zaak is veroordeelde veroordeeld wegens het handelen in strijd met de Opiumwet. Meer specifiek: drugsrunnen. Dat is een misdrijf waarvoor DNA-onderzoek van betekenis kan zijn voor de opheldering van dat feit en in ieder geval van feiten die daarmee verband houden. Vervolgens staat vast dat veroordeelde in 2012 in België is veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf voor een drugsgerelateerd feit. Daarom is het niet onaannemelijk dat hij in het verleden eerder een strafbaar feit heeft gepleegd voor de opsporing waarvan DNA-onderzoek van belang kan zijn. Daarnaast is het niet zo dat veroordeelde in de toekomst nooit meer een strafbaar feit zal kunnen plegen. Weliswaar behoeft het opnieuw vervallen in crimineel gedrag niet feitelijk onmogelijk te zijn om een beroep op de tweede uitzonderingsgrond te honoreren, doch in dat geval dienen er zeer uitzonderlijke omstandigheden te worden aangevoerd waaronder het strafbare feit is gepleegd. Het moet dan gaan om omstandigheden die zich in de toekomst met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet meer zullen voordoen. Hiervan is geen sprake. Ook de door veroordeelde aangevoerde medische omstandigheden maken het hiervoor overwogene niet anders.
Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard.

3.De beslissing

De rechtbank:
verklaart het bezwaarschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 25 juli 2022 gegeven door mr. R.J.H. de Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van J. van ‘t Westende, griffier.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing staan geen rechtsmiddelen open.