Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verdere verloop van de procedure
- het tussenvonnis van 25 mei 2022 en de daarin genoemde stukken;
2.Het geschil
3.De beoordeling
“Art.6 — Hulpmiddelen, vervoer6.1 De Zelfstandige zal bij de uitvoering van de opdracht in beginsel gebruik maken van zijn eigen hulpmiddelen. Ingeval hulpmiddelen van de Klant noodzakelijk zijn bij de uitvoering van de opdracht, brengt de Klant daarvoor een vergoeding in rekening aan Singel.6.2 De Klant stuurt, indien van toepassing, ter zake deze kosten wekelijks een factuur aan Singel. De Klant mag deze vordering alleen verrekenen met de door haar aan Singel verschuldigde facturen, voor zover beide op dezelfde periode betrekking hebben.Art.7 — Aansprakelijkheid7.1 De Klant is verantwoordelijk voor het naleven van alle verplichtingen voortvloeiende uit de arbeidsomstandighedenwet- en -regelgeving, ook ten opzichte van de Zelfstandige.(…)7.4 De Klant draagt op grond van art. 7:658 lid 4 BW Pro de zorgplicht voor een veilige werkplek ten opzichte van de Zelfstandige. Indien Singel door de Zelfstandige wordt aangesproken voor door hem/haar geleden schade in de uitoefening van de werkzaamheden, dan is de Klant in de onderlinge verhouding ten opzichte van Singel gehouden daarvoor in te staan. (…).”
[eiser] teruggegeven.
2 november 2021 was ontvreemd.
In antwoord op vragen van de kantonrechter heeft [eiser] verklaard dat hij aan Singel geen vergoeding voor de steiger in rekening heeft gebracht.