ECLI:NL:RBZWB:2022:8491

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 oktober 2022
Publicatiedatum
11 april 2023
Zaaknummer
C/02/397326 FA RK 22-2013
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing naar mediation bij geschil over verhuizing en zorgregeling minderjarigen na echtscheiding

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek van de man om vervangende toestemming te verkrijgen voor verhuizing binnen 15 kilometer van zijn huidige woonplaats en om zijn minderjarige kind daarop in te schrijven. De vrouw was het hier niet mee eens en verzocht het verzoek af te wijzen of niet-ontvankelijk te verklaren, en stelde voor het hoofdverblijf van het kind bij haar te bepalen en de zorgregeling aan te passen.

Partijen zijn gescheiden en hebben samen het gezag over twee minderjarige kinderen, waarbij in het ouderschapsplan afspraken zijn gemaakt over inschrijving van de kinderen en zorgregeling. Tijdens de mondelinge behandeling op 8 september 2022 zijn de verzoeken en standpunten uitgebreid besproken. De rechtbank sprak met de oudste minderjarige en gaf de jongste de mogelijkheid om haar mening te geven, wat zij niet heeft gedaan.

Gezien de complexiteit van het geschil en het belang van goede communicatie tussen de ouders, heeft de rechtbank partijen verwezen naar het mediationbureau van de rechtbank om hun geschil te bespreken en te proberen tot een gezamenlijke oplossing te komen. De beslissing over de vervangende toestemming, zorgregeling en hoofdverblijf wordt aangehouden tot het resultaat van de mediation bekend is, met een pro forma zitting gepland op 10 januari 2023.

De rechtbank benadrukte dat tijdens het mediationtraject niet alleen de verzoeken, maar ook de wijze van communicatie en samenwerking tussen de ouders centraal staan. De zaak wordt pas verder behandeld na bericht van de advocaten over de uitkomst van de mediation. Deze beschikking is openbaar uitgesproken en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.

Uitkomst: De rechtbank verwijst partijen naar mediation en houdt de zaak aan tot het resultaat daarvan bekend is.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/397326 / FA RK 22-2013
datum uitspraak:
beschikking over vervangende toestemming verhuizing, hoofdverblijf en zorgregeling
in de zaak van
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. A. Elias,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. M.C.H.M. van Beurden,
over de minderjarigen:
-
[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2010,
-
[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2014.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda (hierna: de raad), de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 6 mei 2022 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het op 16 augustus 2022 ontvangen verweerschrift met het (voorwaardelijk) zelfstandig verzoek;
- het e-mailbericht van mr. Elias van 7 september 2022 met bijlage;
- de beschikking van de rechtbank van 5 augustus 2020;
- de uittreksels uit het gezagsregister over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
- het door partijen ondertekende echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan (met bijlage).
1.2
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 8 september 2022. Bij die behandeling zijn gekomen partijen met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.
1.3
Voor deze mondelinge behandeling heeft de rechter met [minderjarige 1] gesproken over de verzoeken. De minderjarige [minderjarige 2] heeft de mogelijkheid gekregen om te zeggen wat zij van de verzoeken vindt, maar zij heeft daar geen gebruik van gemaakt.

2.De feiten

2.1.
Tussen partijen staat het volgende vast:
- Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest.
- Bij beschikking van de rechtbank van 5 augustus 2020 is de echtscheiding uitgesproken en deze beschikking is op [datum] ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand die daarvoor zijn bedoeld.
- Tijdens het huwelijk van partijen zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.
- [minderjarige 1] staat ingeschreven op het adres van de man en [minderjarige 2] staat ingeschreven op het adres van de vrouw.
- Partijen hebben samen het gezag over de minderjarigen.
2.2.
In genoemd ouderschapsplan zijn partijen in artikel 2 het Pro volgende overeengekomen:
- [minderjarige 1] zal worden ingeschreven op het adres van de man en [minderjarige 2] op het adres van de vrouw om optimaal te kunnen profiteren van fiscale voordelen.
- Bij een voorgenomen verhuizing treden de ouders vooraf in overleg.
Uitgangspunt is dat de ouders in de [wijk] te [woonplaats 3] zullen blijven wonen, zodat de kinderen in hun vertrouwde omgeving kunnen blijven en daar naar school kunnen blijven gaan.
2.3.
In artikel 3 van Pro het ouderschapsplan is een zorgregeling opgenomen die inhoudt dat de kinderen in de ene week bij de man zijn op maandag na school tot dinsdag na het avondeten en in de andere week van vrijdagavond tot dinsdag na het avondeten, en de helft van de vakanties en feestdagen.

3.De verzoeken

3.1.
De man verzoekt vervangende toestemming om te verhuizen naar een adres gelegen binnen een straal van 15 kilometer van zijn huidige woonplaats en [minderjarige 1] in te schrijven op dat adres in de Basis Registratie Personen.
3.2.
De vrouw is het niet eens met het verzoek van de man en verzoekt dit verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.
Zij verzoekt voorwaardelijk, in het geval aan de man toestemming wordt verleend om te verhuizen naar een woning gelegen buiten de [wijk] , wijziging van de huidige zorgregeling in die zin dat de kinderen een keer per twee weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de man zijn, met verdeling van de vakanties bij helfte.
Verder verzoekt de vrouw om het hoofdverblijf van de minderjarige [minderjarige 1] bij haar te bepalen.
3.3.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn de verzoeken van partijen uitgebreid besproken en hebben de man en de vrouw hun standpunten nader toegelicht. Ter zitting is ook de mogelijkheid besproken om nader met elkaar in gesprek te gaan tijdens een mediationtraject. De man en de vrouw hebben aangegeven dat zij bereid zijn om
samen gesprekken aan te gaan met een mediator die via het mediationbureau van de rechtbank wordt ingeschakeld. Tijdens dit traject zullen alle verzoeken die over en weer zijn gedaan onderdeel van gesprek zijn en zal de manier waarop de man en de vrouw met elkaar communiceren en met elkaar samenwerken als gescheiden ouders onderdeel vormen van het traject.
3.4.
De rechtbank zal partijen gelet op het voorgaande verwijzen naar het mediationbureau voor bemiddeling. De beslissing over de vervangende toestemming tot verhuizing, de zorgregeling en het hoofdverblijf van [minderjarige 1] zal worden aangehouden tot de hierna genoemde datum, in afwachting van bericht van de advocaten van partijen over het resultaat van de bemiddeling en over de manier waarop de zaak verder moet worden afgedaan.

4.De beslissing

De rechtbank
verwijst partijen naar het mediationbureau van de rechtbank voor bemiddeling, waarbij geldt wat hiervoor onder punt 3.3. is overwogen;
houdt de behandeling van deze zaak aan tot
dinsdag 10 januari 2023 PRO FORMAin afwachting van bericht van de advocaten van partijen over het resultaat van de bemiddeling bij de mediator en de manier waarop de zaak verder moet worden afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.A.R.M. van Leuven, en in tegenwoordigheid van mr. M. Maas-Klink, griffier, in het openbaar uitgesproken op
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.