ECLI:NL:RBZWB:2022:8504

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 december 2022
Publicatiedatum
11 mei 2023
Zaaknummer
9503399 CV EXPL 21-3644 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:761 BWArt. 7:671 BWArt. 6:2 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens te late klacht over gebreken herstel stucwerk

Eiseres ontdekte blazen in het stucwerk en zocht in 2016/2017 contact met gedaagde om dit te laten onderzoeken. Dit contact kwalificeert als een protest ex artikel 7:761 lid 1 BW Pro, waardoor de verjaringstermijn van twee jaar is gaan lopen.

Eiseres stelde dat zij pas na ontvangst van een deskundigenrapport in december 2020 bekend was met de tekortkoming en tijdig in januari 2021 een sommatiebrief stuurde. Gedaagde betoogde dat de klachtplicht in 2016/2017 was vervuld en de vordering daarom verjaard was.

De rechtbank oordeelt dat het protest in 2016/2017 voldoende was en dat de vordering in januari 2021 was verjaard. Het beroep op redelijkheid en billijkheid faalt omdat eiseres onvoldoende heeft onderbouwd dat gedaagde met kwade bedoelingen handelde en zij zelf nalatig was in het stuiten van de verjaring.

De vordering wordt afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.

Uitkomst: De vordering wordt afgewezen wegens te late klacht en verjaring.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster I Civiele kantonzaken
Breda
zaak/rolnr.: 9503399 CV EXPL 21-3644
vonnis d.d. 7 december 2022
inzake
[eiseres],
wonende te [woonadres] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. J.G.C.M. Croonen-van der Linden, werkzaam ten kantore van D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V. te ‘s-Hertogenbosch,
tegen
[gedaagde],
wonende en zaakdoende te [adres] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. J.F. Bil, advocaat te Oosterhout.
Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiseres] ” en “ [gedaagde] ”.

1.Het verloop van het geding

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:
a. het tussenvonnis in deze zaak van 31 augustus 2022 met de daarin genoemde processtukken;
b. de akte van [eiseres] van 28 september 2022 met één productie;
c. de antwoordakte van [gedaagde] van 26 oktober 2022 met producties;
d. de akte van [eiseres] van 9 november 2022.

2.De verdere beoordeling

2.1
In voornoemd tussenvonnis is [eiseres] in de gelegenheid gesteld te reageren op het door [gedaagde] gevoerde verjaringsverweer.
2.2
Bij akte van 28 september 2022 voert [eiseres] aan dat zij bij de eerste melding aan [gedaagde] nog niet uitging van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door [gedaagde] , zodat dit niet als een protest ex artikel 7:761 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan worden gekwalificeerd. [gedaagde] heeft [eiseres] toen doorverwezen naar haar verzekeraar. Pas na ontvangst van het rapport van de deskundige van 20 december 2020 was zij bekend met de tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door [gedaagde] . [eiseres] heeft [gedaagde] vervolgens op 19 januari 2021 in kennis gesteld van het gebrek, zodat tijdig de vordering is ingesteld. Voor zover de afwijzing van de verzekeraar het moment is dat de verjaringstermijn is gaan lopen, is ook tijdig een vordering ingesteld. Bovendien wist [gedaagde] na het eerste contact tussen partijen, waarin hij [eiseres] doorverwees naar de verzekeraar, dat het traject bij de verzekeraar lang kon gaan duren. Ook kon hij weten dat er klachten zouden ontstaan, omdat hij verkeerd materiaal heeft gebruikt. Het beroep op verjaring is dan ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
2.3
[gedaagde] voert bij antwoordakte van 26 oktober 2022 aan dat [eiseres] in 2016/2017 heeft geprotesteerd bij [gedaagde] en vervolgens pas op 19 januari 2021 een sommatiebrief heeft gestuurd. Vervolgens heeft zij pas op 14 oktober 2021 een dagvaarding uitgebracht. Hieruit volgt dat de vordering is verjaard. Uit de stellingen uit de dagvaarding volgt immers dat [eiseres] in 2016/2017 bekend is geworden met de tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst en toen heeft geprotesteerd als bedoeld in artikel 7:671 BW Pro. Bij haar akte lijkt zij op deze stelling echter terug te komen. Dit moet worden gekwalificeerd als een verkapt appel tegen de constatering van de kantonrechter dat is voldaan aan de klachtplicht. Als de aangevulde stellingen van [eiseres] worden gevolgd moet worden geconcludeerd dat niet tijdig is geklaagd, zodat de vordering op die grond moet worden afgewezen. Er blijft immers staan dat [gedaagde] na de berichten in oktober/november 2017 niets meer van [eiseres] heeft vernomen tot de sommatiebrief van 19 januari 2021. Uit de meerdere lange tussenpozen tussen de diverse handelingen van de [eiseres] vloeit bovendien voort dat zij stelselmatig heeft nagelaten de kwestie voortvarend op te pakken. Dit blijkt wel uit de lange periodes tussen de melding bij [gedaagde] , de aanmelding bij de verzekeraar, het inschakelen van De Onderhoudsregisseur, de sommatiebrief en het instellen van de vordering. Dit komt voor rekening en risico van [eiseres] . Hierin kan geen reden worden gezien om opschorting van de verjaringstermijn aan te nemen. Bovendien heeft [eiseres] nagelaten [gedaagde] op de hoogte te houden van de voortgang bij de verzekeraar, zodat de verjaring ook niet is gestuit. Het voorgaande leidt ertoe dat ook geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid rechtvaardigen.
2.4
Bij akte van 9 november 2022 heeft [eiseres] nog mogen reageren op bij de antwoordakte van [gedaagde] overgelegde producties.
2.5
In het voornoemde tussenvonnis is overwogen dat in artikel 7:761 lid 1 BW Pro is opgenomen dat elke rechtsvordering wegens een gebrek in het opgeleverde werk verjaart door verloop van twee jaren, nadat de opdrachtgever ter zake heeft geprotesteerd. Ter discussie tussen partijen staat of de berichten uit 2016/2017 van [eiseres] aan [gedaagde] kunnen worden gekwalificeerd als een protest zoals bedoeld in voornoemd artikel.
2.6
Tussen partijen staat vast dat [eiseres] in 2016/2017 contact met [gedaagde] heeft gezocht, omdat zij blazen ontdekte in het werk en zij [gedaagde] meerdere malen heeft verzocht hiernaar te komen kijken. Naar het oordeel van de kantonrechter kan dit niet anders worden gezien als een protest als bedoeld in artikel 7:761 lid 1 BW Pro. Immers, het betrof een onregelmatigheid in het werk van [gedaagde] op grond waarvan [eiseres] [gedaagde] verzocht dit nader te onderzoeken. Als zij toentertijd (nog) van mening was dat het mogelijk niet door [gedaagde] was veroorzaakt had zij, na meerdere malen [gedaagde] gebeld te hebben, een derde ernaar kunnen laten kijken of de schade direct bij haar verzekeraar kunnen aanmelden. Zij stelt immers zelf dat het haar veel moeite heeft gekost om [gedaagde] zover te krijgen naar het werk te komen kijken. Het feit dat zij steeds contact bleef zoeken met [gedaagde] is niet anders te kwalificeren dan dat zij van mening was dat [gedaagde] verantwoordelijk was voor de blazen in het stucwerk en zij hem daarop aansprak.
2.7
Vervolgens staat tussen partijen vast dat [eiseres] pas weer in januari 2021 contact heeft gezocht met [gedaagde] , zodat op dat moment de vordering was verjaard. De vordering dient in beginsel dan ook te worden afgewezen.
2.8
[eiseres] doet daarnaast een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Deze stellingen kunnen echter niet tot een ander oordeel leiden. De kantonrechter overweegt dat zij bij de toepassing van artikel 6:2 lid 2 BW Pro de nodige terughoudendheid dient te betrachten. Niet snel kan dan ook worden aangenomen dat een tussen partijen geldende regel uit de wet, gewoonte of rechtshandeling als hier aan de orde, geen toepassing vindt omdat toepassing daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. In dat kader is het, naar het oordeel van de kantonrechter, van belang dat onvoldoende is onderbouwd dat [gedaagde] [eiseres] met kwade bedoelingen heeft doorverwezen naar haar verzekeraar. Daarnaast is van belang dat [eiseres] zelf heeft nagelaten de kwestie voortvarend op te pakken en bovendien heeft nagelaten de verjaring te stuitten, hetgeen op een hele laagdrempelige manier mogelijk is. Zij had enkel stuitingsbrieven hoeven sturen.
2.9
De conclusie is dat de vordering wordt afgewezen.
2.1
[eiseres] wordt veroordeeld in de proceskosten. Aan de zijde van [gedaagde] worden deze begroot op een bedrag van € 1.119,00 aan gemachtigdensalaris (3 punten à € 373,00 voor de conclusie van antwoord, de mondelinge behandeling en de twee aktes zijdens [gedaagde] ).

3.De beslissing

De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van dit geding, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op een bedrag van € 1.119,00 als salaris voor de gemachtigde van [gedaagde] ;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman en in het openbaar uitgesproken op 7 december 2022.