Verzoekster, een besloten vennootschap, diende een verzoekschrift in tot aanwijzing van een herstructureringsdeskundige voor twaalf hoofdelijk verbonden schuldenaren binnen één concern. De griffier bracht twaalfmaal het griffierecht in rekening, éénmaal per vennootschap. Verzoekster stelde dat slechts eenmaal griffierecht verschuldigd is omdat het om één verzoekschrift met eenzelfde feitencomplex gaat.
De griffier verweerde zich met het argument dat het om afzonderlijke rechtspersonen gaat, die elk een eigen verweer kunnen voeren, en dat daarom afzonderlijk griffierecht verschuldigd is. Verzoekster verwees naar een arrest van de Hoge Raad waarin bij een vergelijkbare situatie slechts eenmaal griffierecht werd geheven.
De rechtbank oordeelde dat de situatie niet volledig vergelijkbaar is met het arrest van de Hoge Raad, maar wel dat er sprake is van een direct verband tussen de verzoeken. De rechtbank stelde vast dat de verzoeken gezamenlijk zijn behandeld en in één beschikking zijn beslist. Daarom verklaarde de rechtbank het verzet gegrond voor elf van de twaalf verzoeken en bepaalde dat de griffier het teveel betaalde griffierecht moet crediteren.
De beslissing betekent dat bij nauw samenhangende verzoeken binnen één verzoekschrift slechts eenmaal griffierecht verschuldigd is, ook als het meerdere rechtspersonen betreft, mits sprake is van hetzelfde feitencomplex en gezamenlijke behandeling.