ECLI:NL:RBZWB:2022:956
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde en toezendplicht taxatiegegevens woning
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die de heffingsambtenaar had vastgesteld op €258.000 voor het kalenderjaar 2019. Hij stelde dat de waarde te hoog was en dat de heffingsambtenaar in de bezwaarprocedure niet had voldaan aan de toezendplicht van het taxatieverslag en grondstaffel zoals voorgeschreven in artikel 40 van Pro de Wet WOZ.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar inderdaad niet aan deze toezendplicht had voldaan, maar dat dit gebrek in de beroepsfase was hersteld doordat de grondstaffel in de waardematrix was opgenomen. Hierdoor was het gebrek niet schadelijk voor belanghebbende en kon het beroep niet op dit punt worden toegewezen.
Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde voldoende had onderbouwd met vergelijkingsobjecten die qua bouwjaar, type en ligging vergelijkbaar waren, en dat de correcties voor verschillen in onderhoud en kwaliteit adequaat waren toegepast. De ligging nabij een verzorgingstehuis had geen invloed op de waarde. Belanghebbendes lagere waardering van een vergelijkingsobject deed niet af aan de juistheid van de vastgestelde waarde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, veroordeelde de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende van €541 en gelastte vergoeding van het griffierecht van €48.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €258.000 wordt bevestigd.