ECLI:NL:RBZWB:2022:96

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 januari 2022
Publicatiedatum
11 januari 2022
Zaaknummer
AWB- 21_4457
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens niet tijdig besluit Wob-verzoek

Verzoeker stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar tegen een Wob-besluit van 2 december 2020. Nadat het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal op 22 november 2021 alsnog op het bezwaar had beslist, trok verzoeker het beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten.

De rechtbank beoordeelde het verzoek om proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:54 Awb Pro zonder zitting. Gezien de tegemoetkoming van verweerder en de intrekking van het beroep, wees de rechtbank het verzoek toe. De zaak werd als licht beschouwd, conform jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De proceskosten werden vastgesteld op € 379,50, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarnaast wees de rechtbank erop dat verweerder verplicht is het griffierecht van € 181,- te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door rechter L.P. Hertsig op 7 januari 2022.

Uitkomst: Het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 379,50.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/4457

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 januari 2022 in de zaak tussen

[naam verzoeker] , te [plaatsnaam] , verzoeker

(gemachtigde: mr. R. Oosterbroek),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft bij brief van 11 oktober 2021 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op zijn bezwaar van 10 januari 2021 gericht tegen het primaire besluit van 2 december 2020 waarmee op zijn verzoek om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) is beslist.
Bij besluit van 22 november 2021 heeft verweerder op het bezwaarschrift beslist.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld bereid te zijn om de proceskosten van 1 punt te vergoeden.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoeker.
Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Daarbij merkt de rechtbank het gewicht van de onderhavige zaak aan als licht, gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin is overwogen dat geschillen met betrekking tot het uitblijven van een besluit als licht moeten worden beschouwd. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 379,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- met een wegingsfactor 0,5).
De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 181,- te vergoeden. Verzoeker zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 379,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 7 januari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.