Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een vennootschap die per datum ontbinding in 2014 is opgehouden te bestaan, maakte bezwaar tegen een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting over 2014, een vergrijpboete en belastingrente. De inspecteur stelde het bezwaar deels gegrond door de boete te vernietigen maar hield de aanslag en rente in stand.
De rechtbank oordeelt dat belanghebbende niet ontvankelijk is in haar beroep omdat zij na ontbinding en sluiting van de vereffening geen rechtshandelingen meer kan verrichten, waaronder het instellen van beroep. De stelling dat belanghebbende een procesbelang heeft vanwege een toegekende kostenvergoeding en mogelijk recht op schadevergoeding verandert hier niets aan.
De rechtbank verwijst naar een arrest van de Hoge Raad waarin is bepaald dat artikel 6:10 Awb Pro van overeenkomstige toepassing is indien de vereffening niet is heropend en het beroepschrift is ingediend door een belanghebbende die uitkering heeft ontvangen. Dit is hier niet het geval. Daarom wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard en komt de rechtbank niet toe aan inhoudelijke behandeling.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2014 wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het opgehouden bestaan van de vennootschap.