ECLI:NL:RBZWB:2023:1091
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing aanvraag Verklaring Omtrent het Gedrag
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister van Rechtsbescherming om zijn aanvraag voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) af te wijzen. Hij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen in afwachting van de uitkomst van de bezwaarprocedure.
De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) besloten geen zitting te houden en heeft verzoeker gevraagd zijn spoedeisend belang nader toe te lichten. Verzoeker stelde dat hij momenteel geen inkomsten heeft en een financiële noodsituatie verkeert, onderbouwd met bankafschriften en een overzicht van vaste lasten.
Uit de overgelegde stukken bleek dat verzoeker slechts geringe vaste lasten heeft, met als grootste kostenpost de zorgverzekering, waarvoor hij zorgtoeslag ontvangt. Zijn zakelijke bankrekening had op 31 januari 2023 een saldo van €5.472,49, waardoor hij zijn lasten nog geruime tijd kan voldoen. De voorzieningenrechter oordeelde dat de stelling dat verzoeker geen ander werk kan verrichten onvoldoende is om een spoedeisend belang aan te nemen.
Daarom is geconcludeerd dat onvoldoende spoedeisend belang is gebleken om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de VOG-aanvraag is afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.