ECLI:NL:RBZWB:2023:1091

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 februari 2023
Publicatiedatum
17 februari 2023
Zaaknummer
AWB- 23_1059 VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing aanvraag Verklaring Omtrent het Gedrag

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister van Rechtsbescherming om zijn aanvraag voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) af te wijzen. Hij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen in afwachting van de uitkomst van de bezwaarprocedure.

De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) besloten geen zitting te houden en heeft verzoeker gevraagd zijn spoedeisend belang nader toe te lichten. Verzoeker stelde dat hij momenteel geen inkomsten heeft en een financiële noodsituatie verkeert, onderbouwd met bankafschriften en een overzicht van vaste lasten.

Uit de overgelegde stukken bleek dat verzoeker slechts geringe vaste lasten heeft, met als grootste kostenpost de zorgverzekering, waarvoor hij zorgtoeslag ontvangt. Zijn zakelijke bankrekening had op 31 januari 2023 een saldo van €5.472,49, waardoor hij zijn lasten nog geruime tijd kan voldoen. De voorzieningenrechter oordeelde dat de stelling dat verzoeker geen ander werk kan verrichten onvoldoende is om een spoedeisend belang aan te nemen.

Daarom is geconcludeerd dat onvoldoende spoedeisend belang is gebleken om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de VOG-aanvraag is afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/1059 VOG VV

uitspraak van 16 februari 2023 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker], te [woonplaats verzoeker], verzoeker,

gemachtigde: mr. P. van der Meer,
en

de minister voor Rechtsbescherming, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 december 2022 (bestreden besluit) van de minister inzake de afwijzing van zijn aanvraag om een Verklaring omtrent het gedrag (VOG). Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.
2. Met de brief van 8 februari 2023 heeft de griffier aan verzoeker gevraagd om zijn spoedeisend belang toe te lichten. Aan verzoeker is onder andere verzocht om een overzicht te geven van zijn financiële situatie waaruit blijkt van zijn inkomsten en vaste lasten.
3. Verzoeker heeft in zijn brief van 10 februari 2023 gesteld momenteel geen inkomsten te hebben. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat er sprake is van een financiële noodsituatie heeft hij bankafschriften van zijn privé en zakelijke rekening overgelegd. Daarbij heeft hij gewezen op zijn doorlopende zakelijke kosten, waarvan hij al een overzicht had overgelegd bij zijn verzoekschrift. Verder heeft verzoeker gesteld dat hij niet (tijdelijk) ander werk kan verrichten omdat hij geen andere werkervaring en geen startkwalificatie heeft.
4. Uit de door verzoeker overgelegde bankafschriften blijkt dat hij maar een paar vaste lasten heeft en dat de grootste kostenpost zijn zorgverzekering is. Verzoeker krijgt echter ook een zorgtoeslag, zo blijkt uit de afschriften.
De zakelijke kosten bestaan volgens productie 3 bij het verzoekschrift, uit een bedrijfspolis en aansprakelijkheidsverzekering met een totaalbedrag van € 52,72. Daarnaast blijkt uit de zakelijke bankrekening nog van telefoonkosten (in januari € 61,68).
Uit het voorgaande volgt dat de vaste lasten van verzoeker erg laag zijn. Het saldo op de ondernemingsrekening bedroeg op 31 januari 2023 nog € 5.472,49. Gelet op dit saldo kan aangenomen worden dat verzoeker nog geruime tijd zijn vaste lasten kan voldoen.
5. Verzoekers stelling dat hij niet gekwalificeerd is voor ander werk, wat daar ook van zij, maakt niet dat er alleen om die reden een spoedeisend belang aangenomen kan worden.
6. Gelet op wat hiervoor overwogen is, is de voorzieningenrechter van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij een oordeel over het bestreden besluit. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 16 februari 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.