Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het aan hem tenlastegelegde feit.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 9 maart 2020 werd het negen weken oude kind van verdachte met meerdere botbreuken opgenomen, waaronder een dijbeenbreuk, ribbreuken en een schedelbreuk. Het NFI-rapport wees op de waarschijnlijkheid van niet-accidentele krachtsinwerking, maar kon niet exact vaststellen wanneer en door wie het letsel was toegebracht.
De officier van justitie stelde dat verdachte het letsel had veroorzaakt in de ochtend van 9 maart 2020 toen hij de zorg over het kind had. De verdediging betoogde dat meerdere personen in aanraking waren geweest met het kind en dat het niet met zekerheid kon worden vastgesteld dat verdachte de dader was.
De rechtbank concludeerde dat het letsel waarschijnlijk niet door een ongeval was ontstaan, maar dat niet buiten redelijke twijfel kon worden vastgesteld dat verdachte het letsel had toegebracht. De tijdspanne waarin het letsel was ontstaan was te ruim en verdachte was niet continu alleen met het kind. Daarom werd verdachte vrijgesproken van mishandeling.
De rechtbank verklaarde de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging, maar sprak verdachte vrij wegens onvoldoende bewijs. De beslissing werd uitgesproken door een meervoudige kamer van drie rechters op 23 februari 2023.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken omdat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat hij het letsel heeft veroorzaakt.