Uitspraak
1.De procedure
- de akte van [gedaagde] ;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De zaak betreft een geschil tussen Stichting Thuisvester en een huurder over het hoofdverblijf in het gehuurde. Thuisvester stelt dat de huurder niet zijn hoofdverblijf in de woning heeft, wat in strijd is met de huurovereenkomst en de algemene voorwaarden.
De huurder heeft de mogelijkheid gekregen stukken in te dienen ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij wel zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft, maar heeft geen concrete stukken overgelegd. De kantonrechter oordeelt daarom dat de stelling van Thuisvester als juist moet worden aangenomen.
Het niet hebben van het hoofdverblijf in het gehuurde wordt gezien als een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst. Gezien het belang van Thuisvester bij daadwerkelijke bewoning, mede door de woningmarktproblematiek, weegt dit zwaarder dan het belang van de huurder om in de woning te blijven.
De kantonrechter besluit daarom tot ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeelt de huurder tot ontruiming binnen veertien dagen na betekening van het vonnis. Tevens wordt de huurder veroordeeld tot betaling van een gebruiksvergoeding en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en de huurder wordt veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen en betaling van een gebruiksvergoeding.