Op 12 november 2022 vond een ruzie plaats waarbij het slachtoffer kneuzingen, bloeduitstortingen en een gebroken neus opliep. Verdachte sloeg het slachtoffer met kracht in het gezicht en trapte met een geschoeide voet tegen het hoofd terwijl het slachtoffer op de grond lag. De rechtbank achtte deze feiten wettig en overtuigend bewezen als poging tot zware mishandeling, maar niet als zware mishandeling vanwege onvoldoende bewijs van zwaar lichamelijk letsel.
De verdediging voerde noodweer en noodweerexces aan, stellende dat verdachte in paniek handelde uit vrees voor een mes en zich moest verdedigen. De rechtbank verwierp dit beroep omdat de verklaringen van verdachte inconsistent waren en niet ondersteund werden door getuigenverklaringen of andere bewijsstukken.
Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met de ernst van het feit, de eerdere veroordelingen van verdachte en het reclasseringsrapport dat een hoog risico op recidive en onttrekking aan voorwaarden constateerde. De rechtbank legde een gevangenisstraf van zes maanden op, met aftrek van voorarrest.
Daarnaast behandelde de rechtbank vorderingen tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijke straffen. Eén vordering werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de straf al was uitgevoerd, de andere vordering werd toegewezen wegens overtreding van de proeftijd.
Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Middelburg op 24 februari 2023.