Belanghebbende, eigenaar van een woning, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €337.000 voor het jaar 2020. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank.
Partijen bereikten op 11 januari 2023 een compromis waarbij de WOZ-waarde werd vastgesteld op €300.000. De rechtbank bekrachtigde dit compromis, maar kon het compromis niet betrekken op de aanslag watersysteemheffing eigenaren omdat daartegen geen gronden waren aangevoerd.
Daarnaast werd een vergoeding van €1.847,50 aan proceskosten toegekend aan belanghebbende. De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn voor behandeling van bezwaar en beroep met ongeveer tien maanden was overschreden, waardoor belanghebbende recht had op een immateriële schadevergoeding van €1.000. Deze vergoeding werd verdeeld tussen de heffingsambtenaar (€100) en de Staat der Nederlanden (€900).
De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar, verminderde de WOZ-waarde en de aanslag OZB dienovereenkomstig, en veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak werd gedaan door rechter M.M. Dondorp-Loopstra en griffier B.W. Liu op 24 februari 2023.