ECLI:NL:RBZWB:2023:1292

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 februari 2023
Publicatiedatum
28 februari 2023
Zaaknummer
AWB- 23_889 VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 2.12 WaboArt. 4 BorArt. 2.1 WaboArt. 7:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning tijdelijke woningen in maatschappelijke bestemming

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning voor de bouw van 24 tijdelijke woningen bestemd voor zorg aan mensen met een lichte verstandelijke beperking en psychische problemen. Zij vreest overlast, verkeersproblemen, geluidshinder en aantasting van het karakter van de woonomgeving. De voorzieningenrechter heeft op 22 februari 2023 de zaak behandeld en beoordeelt het verzoek om voorlopige voorziening.

De rechter stelt vast dat het college het bouwplan heeft getoetst aan de goede ruimtelijke ordening en dat de belangenafweging niet deugdelijk is gemotiveerd in het bestreden besluit, maar dit kan worden hersteld bij bezwaar. De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat de tijdelijke woningen geen onevenredige ruimtelijke impact hebben, mede omdat de gronden al een maatschappelijke bestemming hebben en vergelijkbare activiteiten toestaan.

Verder zijn maatregelen getroffen door vergunninghouder om overlast te beperken, zoals 24-uurs begeleiding en bewaking. De verkeerssituatie en geluidsoverlast worden niet onaanvaardbaar beïnvloed. Verzoeksters argumenten over het niet langer kunnen gebruiken van het sportveld worden niet gevolgd omdat zij geen eigendom heeft en een alternatief terrein is aangeboden.

Gelet op het spoedeisend belang en de belangenafweging concludeert de voorzieningenrechter dat het verzoek om voorlopige voorziening moet worden afgewezen. De uitspraak is gedaan op 28 februari 2023 door de voorzieningenrechter E.J. Govaers.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor 24 tijdelijke woningen wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/889 WABOA

uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 februari 2023 in de zaak tussen

[naam verzoekers], uit [vestigingsplaats verzoekers], verzoekster,
gemachtigde: mr. P. Salim,
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom(het college), verweerder.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam vergunninghouder] (vergunninghouder).

Procesverloop

In deze uitspraak beslist de voorlopige voorzieningenrechter op het verzoek van verzoekster om een voorlopige voorziening met betrekking tot een verleende omgevingsvergunning voor de bouw van 24 tijdelijke woningen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 februari 2023 op zitting behandeld. Verzoekster werd vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger], bijgestaan door mr. A. Yandere, kantoorgenoot van verzoeksters gemachtigde. Het college werd vertegenwoordigd door mr. J. van den Berg. Namens vergunninghouder is [naam vertegenwoordiger vergunninghouder] verschenen.

Overwegingen

Relevante feiten en omstandigheden
1. Vergunninghouder heeft op 24 januari 2022 een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor het realiseren van 24 tijdelijke woningen op de hoek van [straatnaam 1] en [straatnaam 2] in [vestigingsplaats verzoekers]. Vergunninghouder
biedt zorg (in de vorm van wonen, dagbesteding en behandeling) aan mensen met een licht verstandelijke beperking en psychische, psychiatrische of gedragsproblemen. Met de betrokken ontwikkeling wordt voorzien in de behoefte aan tijdelijke huisvesting.
Op de gronden waarop het bouwplan is voorzien is het bestemmingsplan "[naam bestemmingsplan]" van toepassing (het bestemmingsplan). Volgens de verbeelding geldt ter plaatse de bestemming 'Maatschappelijk'. Gronden met deze bestemming zijn volgens artikel 9.1 van de planvoorschriften bestemd voor maatschappelijke voorzieningen.
Het beoogde gebruik van de tijdelijke woningen valt onder de definitie van een zorginstel-ling. Omdat de aanduiding 'zorginstelling' op het betrokken perceel ontbreekt, is het bouwplan op dit punt in strijd met het bestemmingsplan. Het bouwplan voldoet wel aan de bouwregels van het bestemmingsplan.
Het college heeft in het bestreden besluit een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van de beoogde 24 tijdelijke woningen. Daarbij is toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 4, onderdeel 11, van het Besluit omgevingsrecht (Bor).
Verzoeksters standpunt
2. Volgens verzoekster heeft het college nagelaten om een deugdelijke belangenafwe-ging te maken en is onvoldoende rekening gehouden met haar belangen. Zij vreest dat de toekomstige bewoners van de 24 tijdelijke woningen overlast zullen veroorzaken. Verzoekster stelt in dit verband dat op dit moment al sprake is van overlast van een bestaande zorginstelling in de nabijheid ([naam zorginstelling]), in de vorm van drugsgebruik op straat, geluidsoverlast, vervuiling en agressief gedrag. Volgens verzoekster heeft het bouwplan ook een nadelige invloed op de verkeersafwikkeling, waarbij zij stelt dat in de wijk al sprake is van een verkeersprobleem. Verzoekster vreest verder voor geluidsoverlast als gevolg van de bouw, wat het leerproces van haar leerlingen zal verstoren. Verder zal de aanwezigheid en het gebruik van de tijdelijke woningen het karakter van de woonomgeving aantasten. Verzoekster voert ten slotte aan dat zij het betrokken terrein niet langer zal kunnen gebruiken als sportveld.
Wettelijk kader voorlopige voorziening
3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
Beoordeling spoedeisend belang
4. Volgens het college en vergunninghouder is het de bedoeling dat de tijdelijke woningen medio april 2023 worden gerealiseerd. De fundering is inmiddels geplaatst en het terrein is bouwrijp gemaakt. De voorzieningenrechter concludeert op basis van deze omstandigheden dat sprake is van een spoedeisend belang. Dit belang wordt overigens ook niet betwist.
Relevante wet- en regelgeving
5. De relevante wet- en regelgeving in deze zaak is opgenomen in een bijlage, die is gehecht aan deze uitspraak.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
6. Bij de beoordeling van een aanvraag om omgevingsvergunning voor afwijking van een bestemmingsplan met toepassing van de kruimelgevallenregeling moet het college, gelet op het toetsingskader in artikel 2.12, aanhef en onder a, van de Wabo beoordelen of de aangevraagde activiteit in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Verder is de belangenafweging, die moet worden uitgevoerd bij een besluit om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, erop gericht te onderzoeken of het woon- en leefklimaat in de omgeving aanvaardbaar blijft. Uitsluitend de ruimtelijke uitstraling en de impact van het gebruik dat wordt vergund
bovenophet gebruik dat al planologisch was toegestaan moeten bij de belangenafweging worden betrokken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 september 2017, ECLI:NL: RVS:2017:2460, in het bijzonder r.o. 4.2 en 4.3).
7. De voorzieningenrechter stelt vast dat het bestreden besluit geen deugdelijke onderbouwing bevat. Dit is ter zitting ook erkend door het college. Dit gebrek kan evenwel op grond van de heroverweging, neergelegd in artikel 7:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, worden hersteld bij het nemen van de beslissing van bezwaar, gezien de toelichting van het college ter zitting en de steekhoudende motivering in het verweerschrift van 8 februari 2023. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter stelt het college zich daarin terecht op het standpunt dat de 24 tijdelijke woningen geen onevenredige ruimtelijke impact zullen hebben op de omgeving, waarbij van belang is dat de betrokken gronden op grond van de ter plaatse geldende maatschappelijke bestemming al mochten worden gebruikt voor bibliotheken, cultuur, gezondheidszorg, jeugd/kinderopvang, onderwijs, openbare dienstverlening, openbare orde en veiligheid, religie, verenigingsleven, volksgezondheid, zorg en welzijn. Ook van deze activiteiten gaat een zekere ruimtelijke uitstraling en verkeersbelasting uit die is verdisconteerd in het bestemmingsplan. Met betrekking tot de door verzoekster specifiek gestelde negatieve effecten van de 24 tijdelijke woningen overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
8. Verzoekers hebben voorshands niet aannemelijk gemaakt dat de 24 tijdelijke woningen zullen leiden tot de door hen gevreesde toename van onveiligheid en overlast. De voorzieningenrechter acht daarbij van belang dat door vergunninghouder maatregelen worden getroffen om het risico hierop zoveel mogelijk te beperken, waaronder 24-uurs begeleiding, permanente bewaking en het instellen van een meldingssysteem. Uit de toelichting van vergunninghouder ter zitting volgt dat de bewoners van de woningen en de leerlingen van de school naar verwachting ook niet altijd of zonder meer gelijktijdig zullen vertrekken en arriveren. Verder heeft het college toegezegd dat in samenwerking met de politie zal worden ingezet op het terugdringen van de bestaande overlast van daklozen en drugsdealers in de omgeving. De voorzieningenrechter merkt hierbij ten overvloede op dat de reeds bestaande overlast losstaat van eventuele overlast die ontstaat door de vergunde woningen.
Het college heeft in het verweerschrift verder afdoende gemotiveerd dat de verkeerssituatie door het bouwplan niet zodanig verandert ten opzichte van de reeds bestaande situatie dat geen sprake meer is van een aanvaardbare situatie. Omdat het bij de tijdelijke woningen gaat om prefab-units, die als modulair bouwsysteem in zijn geheel worden geplaatst en vervolgens ter plaatse worden gemonteerd op de fundering, acht de voorzieningenrechter ook niet aannemelijk dat sprake zal zijn van onevenredige geluidsoverlast en hinder van bouwverkeer.
Met betrekking tot verzoeksters stelling dat de vergunde ontwikkeling het karakter van de woonwijk aantast, wijst het college er terecht op dat het terrein een maatschappelijke bestemming heeft waar een zekere ruimtelijke impact van uitgaat. Verder heeft het college er terecht op gewezen dat de woningen met de achterzijde naar de school worden gekeerd, waardoor een afgesloten binnenruimte in de vorm van een hofje wordt gecreëerd. Het complex zal daarnaast geheel worden omheind met een gaashekwerk dat zal worden begroeid met hedera.
Verzoekers worden voorshands ook niet gevolgd in wat zij aanvoeren over het niet langer kunnen gebruiken van de betrokken gronden als sportveld, omdat deze omstandigheid geen ruimtelijk relevant gevolg is van het bestreden besluit. De voorzieningenrechter merkt hierbij te overvloede op dat het betrokken perceel geen eigendom is van verzoekster, en dat er geen gebruiksovereenkomst ten grondslag ligt aan het gebruik van het perceel als sportveld. Verder is verzoekster een alternatief terrein ter beschikking gesteld aan de overzijde van [straatnaam 1].
Conclusie
9. Gezien het voorgaande mocht het college zich naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid op het standpunt stellen dat het vergunnen van de betrokken tijdelijke woningen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat het woon- en leefklimaat ter plaatse aanvaardbaar blijft. Verzoekster heeft voorshands niet aannemelijk gemaakt dat zij onevenredig in haar belangen wordt geschaad. De voorzieningenrechter verwacht daarom dat het bestreden besluit kan standhouden na heroverweging in bezwaar, onder aanvulling van de motivering van het college.
Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
voorzieningenrechter
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage: relevante wet- en regelgeving

Artikel 2.12 van de Wabo
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
Artikel 4, eerste lid, van bijlage II van het Bor
Ingevolge artikel 4, eerste lid, van bijlage II van het Bor kan voor verlening van een omgevingsvergunning voor bijbehorende bouwwerken of een uitbreiding daarvan worden afgeweken van de bepalingen van het bestemmingsplan (de zogenaamde 'kruimelgevallen').
Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:
(…)
11. ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.
Artikel 9 van Pro bestemmingsplan "[naam bestemmingsplan]" (bestemming Maatschappelijk)
De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. maatschappelijke voorzieningen
b. ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’, tevens voor een bedrijfs- of dienstwoning met bijbehorend erf;
c. ter plaatse van de aanduiding zorginstelling: tevens ten behoeve van een zorginstelling:
(…).