Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2023:1318

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 februari 2023
Publicatiedatum
1 maart 2023
Zaaknummer
AWB- 22_5712
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens overschrijding redelijke termijn WIA-uitkering

Opposante heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar tegen een WIA-uitkeringsbesluit. De rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat het niet binnen een redelijke termijn was ingediend.

In het verzet betoogt opposante dat er wel degelijk contactmomenten waren tussen partijen na de ingebrekestelling, en dat een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet aan een strikte termijn is gebonden, maar wel binnen een redelijke termijn moet worden ingediend.

De rechtbank oordeelt dat de eerdere niet-ontvankelijkverklaring onterecht was omdat er buiten redelijke twijfel niet kon worden vastgesteld dat het beroep te laat was ingediend. Het verzet wordt daarom gegrond verklaard, de eerdere uitspraak vervalt en de procedure wordt hervat in de stand van vóór die uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard, de eerdere niet-ontvankelijkverklaring vervalt en de procedure wordt hervat.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/5712 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 februari 2023 op het verzet van

[naam opposante] , te [plaatsnaam] , opposante

(gemachtigde: mr. P.S. Dijkstra).

Procesverloop

Opposante heeft beroep ingesteld omdat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (verweerder) volgens haar niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 16 augustus 2021 tegen het besluit van 12 juli 2021 betreffende de toekenning van een uitkering aan de (ex) werknemer ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
Bij uitspraak van 24 januari 2023 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Opposante heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat het beroep niet binnen een redelijke termijn is ingediend.
2. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de buiten-zittinguitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De verzetrechter stelt voorop dat de toetsing in verzet van een uitspraak die is gedaan met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb dient te geschieden op basis van de in verzet beschikbare informatie. Hiertoe behoort ook informatie die eerst in die fase van het geding naar voren is gebracht (ex nunc).
4. Opposante overlegt in verzet een overzicht met contactmomenten waaruit blijkt dat er tussen de ingebrekestelling en het indienen van het beroep wel degelijk contact tussen partijen is geweest. Verder voert opposante onder verwijzing naar artikel 6:12, eerste lid, van de Awb aan dat een beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van besluit niet aan een termijn gebonden is.
5. De verzetrechter stelt voorop dat een beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet aan een termijn is gebonden. Uit artikel 6:12, vierde lid, van de Awb volgt dat het beroep echter wel binnen een redelijke termijn moet worden ingediend. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 24 januari 2023 geoordeeld dat hiervan geen sprake is, nu opposante eerst tien maanden na de ingebrekestelling beroep heeft ingesteld en dat niet gesteld of gebleken is dat opposante na het indienen van de ingebrekestelling op enige wijze contact met verweerder heeft gehad.
Eerst in verzet is gebleken dat er tussen partijen op diverse momenten contact is geweest over de voortgang van de bezwaarprocedure.
Uit wat opposante heeft aangevoerd, volgt dat de rechtbank in de buiten-zittinguitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, niet-ontvankelijk was. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die buiten-zittinguitspraak werd gedaan. Ter voorlichting merkt de rechtbank nog op dat ook na verdere behandeling het eindoordeel kan zijn dat het beroep niet-ontvankelijk is.
6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door opposante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 209,25 (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van opposante tot een bedrag van € 209,25.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E.C. Vriends, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 28 februari 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.