Gedaagden sloten via een gevolmachtigde een vierjarige overeenkomst met Total voor levering van energie, gestart op 1 augustus 2019. Ondanks facturering en herhaalde aanmaningen betaalden gedaagden de voorschotbedragen voor oktober 2019, december 2019 en januari 2020 niet volledig, waarna Total de overeenkomst beëindigde en een eindafrekening opstelde.
Gedaagden erkenden een schuld maar betwistten de hoogte van de vordering, stellende dat zij een contante betaling van €2.410,00 aan de gevolmachtigde hadden gedaan, zonder kwitantie. Total betwistte dit en vroeg bewijs, dat niet werd geleverd. Gedaagden verschenen niet op de zitting, waardoor de kantonrechter aan het niet verschijnen de gevolgtrekking verbond dat de specificatie van de hoofdsom niet werd betwist.
De kantonrechter oordeelde dat het verweer onvoldoende was onderbouwd en kende de hoofdsom van €4.813,57, de wettelijke rente vanaf dagvaarding en buitengerechtelijke incassokosten van €606,36 toe. Gedaagden werden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van in totaal €6.389,56 plus rente en proceskosten van €1.286,37. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.