Belanghebbende, eigenaar van een aula in een uitvaartcentrum, betwistte de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van €410.000 per 1 januari 2019. Na bezwaar werd de waarde verlaagd naar €389.000, maar belanghebbende ging in beroep tegen deze uitspraak. De rechtbank beoordeelde de waardebepaling aan de hand van de Taxatiewijzer 'Crematoria' en stelde vast dat de heffingsambtenaar de gecorrigeerde vervangingswaarde aannemelijk had gemaakt.
De kern van het geschil betrof de restwaarde van de ruwbouw en de levensduurverlenging van afbouw en installaties. De rechtbank volgde de heffingsambtenaar in het hanteren van een restwaarde van 20% en een levensduur van 31 jaar voor afbouw en installaties, gebaseerd op een inpandige opname en marktgegevens. De door belanghebbende aangevoerde lagere restwaarde en kortere levensduur werden onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank concludeerde dat de waarde van €369.000 niet te hoog is vastgesteld en dat het beroep gegrond is omdat deze waarde lager is dan de uitspraak op bezwaar. Daarnaast kende de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding van €1.000 toe wegens een overschrijding van de redelijke termijn van twaalf maanden. Ook werden proceskosten en griffierecht aan belanghebbende vergoed.