Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
€ 150.695 +
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag vennootschapsbelasting over 2016 waarbij de inspecteur de kwijtscheldingswinstvrijstelling deels had gecorrigeerd. De kern van het geschil betrof de vraag wie schuldenaar was van een lening van €224.000 verstrekt door een derde partij. Belanghebbende stelde dat zij mede-schuldenaar was, maar de inspecteur betwistte dit.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet voldeed aan haar bewijslast om aan te tonen dat zij (mede)schuldenaar was. De lening was verantwoord in de jaarrekening van de dochtermaatschappij en alle correspondentie was gericht aan die dochter. Ook de kwijtscheldingsovereenkomst benoemde alleen de dochter als schuldenaar. De stelling van dwaling werd eveneens niet aannemelijk gemaakt.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard. Wel werd vastgesteld dat de behandeling van bezwaar en beroep de redelijke termijn had overschreden, waardoor belanghebbende recht had op een immateriële schadevergoeding van €2.500. De inspecteur en de Minister werden veroordeeld tot betaling van respectievelijk €1.500 en €1.000. Tevens werd proceskostenvergoeding en griffierecht toegekend, verdeeld tussen inspecteur en Minister.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij mede-schuldenaar was van de lening.