Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2023:1574

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 maart 2023
Publicatiedatum
13 maart 2023
Zaaknummer
22/581
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens onduidelijke bebording

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting die was opgelegd omdat hij op 15 september 2021 zijn auto parkeerde zonder te betalen op een locatie waar betaald parkeren geldt.

Belanghebbende voerde aan dat de bebording onduidelijk was en dat hij door een parkeercontroleur was geadviseerd elders te parkeren, waardoor hij meende niet in de betaalzone te staan. De rechtbank overwoog dat volgens vaste rechtspraak de verplichting tot betaling van parkeerbelasting duidelijk moet zijn door borden of parkeerapparatuur in de directe omgeving, en dat van weggebruikers een onderzoeksplicht geldt.

De heffingsambtenaar had met foto’s voldoende aannemelijk gemaakt dat de parkeerbelastingplicht kenbaar was. De bezwaren van belanghebbende konden dit niet weerleggen. Daarom was de naheffingsaanslag terecht opgelegd.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de naheffingsaanslag en wees het verzoek tot terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/581

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2023 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats 1], belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 16 december 2021.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd met aanslagnummer [aanslagnummer].
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Feiten

2. Op 15 september 2021 om 14:23 uur stond belanghebbendes auto, een [automerk] met kenteken [kenteken] geparkeerd aan de [locatie] in [plaats 2]. Tijdens een controle op deze datum is door parkeercontroleurs geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.
2.1.
Naar aanleiding van de in 2 bedoelde constatering is aan belanghebbende de naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 45, bestaande uit een bedrag aan belasting van € 1 en kosten naheffing van € 44.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3.1.
De [locatie] is door het college van burgemeester en wethouders aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.
3.2.
Belanghebbende bestrijdt niet dat sprake is geweest van het in 2 bedoelde parkeren en evenmin dat hij niet heeft betaald.
3.3.
Belanghebbende stelt dat het voor hem onduidelijk was dat ter plaatse parkeerbelasting moest worden voldaan. Hij heeft het nog gevraagd aan de parkeercontroleur die hem heeft geadviseerd zijn auto tien meter verderop te parkeren. Belanghebbende stelt daarmee de betaald parkeren zone te hebben verlaten. De bebording was niet duidelijk en hij heeft verder ook geen borden gezien waaruit hij had kunnen afleiden dat parkeerbelasting moest worden voldaan.
3.4.
De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak kan het bestaan van de verplichting om parkeerbelasting te voldoen blijken uit de aanwezigheid van parkeerapparatuur bij of in de directe omgeving van de parkeerplaats, of uit borden of andere aanwijzingen bij of in de directe omgeving van de parkeerplaats, op een zodanige wijze dat er redelijkerwijs geen misverstand over kan bestaan dat parkeerbelasting verschuldigd is voor de parkeerplaats (de kenbaarheid). Verder is het vaste rechtspraak dat van een weggebruiker mag worden verwacht dat hij zich op de hoogte stelt van het al dan niet verschuldigd zijn van parkeerbelasting in het gebied waar hij wenst te parkeren. Op de parkeerder rust dan ook een onderzoeksplicht.
3.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar met overlegging van foto’s over de bebording voldoende aannemelijk gemaakt dat belanghebbende heeft geparkeerd op een plaats waar voor het parkeren parkeerbelasting verschuldigd is en dat deze verschuldigdheid voldoende kenbaar was. De gronden die belanghebbende hiertegen heeft aangevoerd, leiden niet tot een ander oordeel.
3.6.
Uit het voorgaande volgt dat belanghebbende parkeerbelasting verschuldigd was. Nu hij geen parkeerbelasting heeft voldaan, is de naheffingsaanslag terecht opgelegd.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.J.M. de Fouw, griffier, op 13 maart 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.