ECLI:NL:RBZWB:2023:1575
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting gemeente Breda
Belanghebbende is geconfronteerd met een naheffingsaanslag parkeerbelasting van €60,20 omdat tijdens een controle op 28 januari 2022 werd vastgesteld dat er geen parkeerbelasting was voldaan. Belanghebbende betwist het niet geparkeerd te hebben, maar stelt dat hij de parkeerbelasting aanvankelijk had betaald, maar dat het bedrag direct werd teruggestort. Hij heeft daarna alsnog om 20:00 uur betaald.
De rechtbank onderzoekt of belanghebbende terecht wordt aangeslagen. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat het bedrag van €5 op dezelfde dag en tijd werd afgeschreven en vrijwel direct werd teruggestort, wat erop duidt dat de betaling niet is geslaagd. De rechtbank acht het redelijk dat belanghebbende had moeten merken dat de betaling niet was gelukt. De verantwoordelijkheid voor het betalen van parkeerbelasting ligt bij de parkeerder.
Verder stelt belanghebbende dat de ondertekening van het bezwaarschrift door een teammanager in plaats van een teamleider onrechtmatig zou zijn. De rechtbank oordeelt dat deze functies materieel gelijk zijn en dat dit geen gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van de beslissing.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, handhaaft de naheffingsaanslag en wijst het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.