ECLI:NL:RBZWB:2023:1575

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 maart 2023
Publicatiedatum
13 maart 2023
Zaaknummer
22/1164
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 8 Verordening parkeerbelastingen Breda 2021Mandaatbesluit heffings- en invorderingsambtenaarAanwijzingsbesluit parkeerbelastingen 2021
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting gemeente Breda

Belanghebbende is geconfronteerd met een naheffingsaanslag parkeerbelasting van €60,20 omdat tijdens een controle op 28 januari 2022 werd vastgesteld dat er geen parkeerbelasting was voldaan. Belanghebbende betwist het niet geparkeerd te hebben, maar stelt dat hij de parkeerbelasting aanvankelijk had betaald, maar dat het bedrag direct werd teruggestort. Hij heeft daarna alsnog om 20:00 uur betaald.

De rechtbank onderzoekt of belanghebbende terecht wordt aangeslagen. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat het bedrag van €5 op dezelfde dag en tijd werd afgeschreven en vrijwel direct werd teruggestort, wat erop duidt dat de betaling niet is geslaagd. De rechtbank acht het redelijk dat belanghebbende had moeten merken dat de betaling niet was gelukt. De verantwoordelijkheid voor het betalen van parkeerbelasting ligt bij de parkeerder.

Verder stelt belanghebbende dat de ondertekening van het bezwaarschrift door een teammanager in plaats van een teamleider onrechtmatig zou zijn. De rechtbank oordeelt dat deze functies materieel gelijk zijn en dat dit geen gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van de beslissing.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, handhaaft de naheffingsaanslag en wijst het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/1164

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2023 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 16 februari 2022.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd met aanslagnummer [aanslagnummer] .
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Feiten

2. Op 28 januari 2022 om 19:48 uur stond belanghebbendes auto, een Mercedes-Benz met kenteken [kenteken] geparkeerd aan De Beyerd in Breda. Tijdens een controle op deze datum is door parkeercontroleurs geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.
2.1.
Naar aanleiding van de in 2 bedoelde constatering is aan belanghebbende de naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 60,20, bestaande uit een bedrag aan belasting van € 2,30 en kosten naheffing van € 57,90.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3.1.
De Beyerd is door het college van burgemeester en wethouders aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. [1]
3.2.
Belanghebbende bestrijdt niet dat sprake is geweest van het in 2 bedoelde parkeren.
3.3.
Belanghebbende stelt dat hij de parkeerbelasting bij aanvang van het parkeren heeft voldaan, echter dat toen hij zijn bankrekening-app checkte, zag dat het bedrag weer was teruggestort. Hij is vervolgens teruggelopen naar de betaalautomaat en heeft om 20.00 uur de parkeerbelasting succesvol voldaan. Indien de mensen die voor hem in de rij stonden sneller waren geweest had belanghebbende de parkeerbelasting om 19.58 uur kunnen voldoen en was hij wel op tijd geweest met betalen aangezien na 10 minuten door de gemeente wordt gecontroleerd of er een betaling in de systemen is verwerkt.
3.4.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of belanghebbende kan worden gevolgd in zijn stelling hij de verschuldigde parkeerbelasting heeft betaald en hem niet verweten kan worden dat het bedrag is teruggestort.
Belanghebbende was in de veronderstelling dat hij de parkeerbelasting had betaald. Uit de door belanghebbende overgelegde print van de bankoverschrijving blijkt ook dat het beoogde te betalen bedrag aan parkeerbelasting van € 5 op 28 januari 2022 om 19:16 uur is afgeschreven. Echter, vervolgens is op diezelfde dag en tijd (dus binnen enkele seconden) hetzelfde bedrag ook weer teruggestort. De rechtbank acht aannemelijk dat de parkeerautomaat een melding geeft dat de betaling is afgebroken. Onder deze omstandigheden kan belanghebbende niet worden gevolgd in zijn stelling dat hij de verschuldigde parkeerbelasting had betaald en moest het voor hem ook redelijkerwijs kenbaar zijn dat hij niet had betaald. Hoewel de rechtbank niet twijfelt aan de goede intenties van belanghebbende, kan zijn standpunt niet leiden tot vernietiging van de naheffingsaanslag. De verantwoordelijkheid voor de verschuldigdheid van parkeerbelasting ligt immers bij belanghebbende als parkeerder. Uit het voorgaande volgt dat belanghebbende heeft geparkeerd zonder parkeerbelasting te voldoen. Dit betekent dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
3.5.
Belanghebbende heeft verder nog aangevoerd dat de uitspraak op bezwaar is ondertekend door de teammanager Handhaving en Wijkveiligheid terwijl in artikel II, tweede lid van het Mandaatbesluit heffings- en invorderingsambtenaar staat vermeld dat mandaat is verleend aan de teamleider Handhaving en Wijkveiligheid. De rechtbank is van oordeel dat een teammanager en een teamleider materieel bezien als dezelfde functie kunnen worden aangemerkt en verbindt hier daarom geen gevolgen aan. Ook is geen sprake van strijd met algemene rechtsbeginselen of met datgene wat van een zorgvuldig handelende overheid mag worden verwacht, zoals belanghebbende verder nog heeft gesteld.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.J.M. de Fouw, griffier, op 13 maart 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Zie artikel 8 van Pro de Verordening parkeerbelastingen Breda 2021 (hierna: de Verordening) gelezen in samenhang met het Aanwijzingsbesluit parkeerbelastingen 2021